Toplobbyist die eenmalig uitlegt hoe hij deals met premiers sloot

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen?

Deze week: toplobbyist Niek Jan van Kesteren spreekt eenmalig over de politici met wie hij decennialang deals sloot. Ofwel: waarom Rutte de nieuwe Lubbers is.

Het Haagse seizoen is afgesloten, dus ik geef u even mijn moment van het politieke jaar: de pensionering, vlak voor de zomer, van de beste lobbyist van Den Haag, de meester van de inside game - directeur Niek Jan van Kesteren van VNO-NCW.

Hij kwam in deze kolommen geregeld langs, en ik kan nu wel verklappen dat ik hem vaak raadpleegde: zijn decennialange ervaring in deals met ’s lands hoogste politici gaf hem een verfijnd gevoel voor Haagse invloeden en verhoudingen.

Dus toen kranten de laatste weken afscheidsinterviews met hem brachten, vooral over lobbyen in de polder, vroeg ik hem: kun je niet voor één keer praten over politici zoals je ze binnenskamers meemaakte?

Voor een lobbyist is dit not done – je spreekt over zaken, nooit personen - dus het duurde even voordat hij instemde. Maar toen we deze week een halve middag met elkaar spraken, overlaadde hij me met scherpzinnige observaties uit de coulissen, in de goedmoedige ironie die hem eigen is.

Mark Rutte, legde hij uit, lijkt als premier het meest op Ruud Lubbers, de Macher van CDA-huize (1982-1994).

„De essentie”, zei Van Kesteren, „is dat zij een besluit nemen en nooit denken: dat is lullig voor die partijgenoot of minister. Ze streven hun belangen zonder aanziens des persoons na.”

Zo keek hij mee toen Halbe Zijlstra, fractievoorzitter in de Tweede Kamer, door zijn partijgenoot uit het Torentje werd gepasseerd.

Een half jaar na de start van Rutte II werkte Van Kesteren in 2013 mee aan een sociaal akkoord. Rutte, vicepremier Asscher, toenmalig VNO-voorzitter Wientjes en FNV-voorzitter Heerts onderhandelden lange zondagen op een landgoed in Hilversum. Asscher was nieuw en wekte bewondering. „Een ingenieuze onderhandelaar”, zei hij. „Een man die vooruit denkt.”

Zijlstra bleef erbuiten: de afzwakkingen van het regeerakkoord (inzake WW-duur en ontslagrecht) die het sociaal akkoord uiteindelijk regelde, overvielen de VVD-fractieleider volledig.

Met Wientjes bezocht Van Kesteren de dag erop Zijlstra, die nog steeds laaiend was. „Halbe voelde zich gepiepeld.”

Dit soort spanningen tussen hem en Rutte zijn gebleven, zei Van Kesteren. Zo dacht VNO-NCW de laatste maanden binnenskamers mee over het beëindigen van een pensioenregeling voor ondernemers, waardoor het kabinet in 2017 extra geld binnenkreeg om koopkracht van uitkeringen te repareren.

Maar voor niets gaat de zon op, dus wilden werkgevers lagere winstbelasting voor kleinere bedrijven. De PvdA wilde dat niet. „Toen we daar in een van onze laatste gesprekken met Rutte en Asscher op wezen”, zei Van Kesteren, „ging Rutte uit zijn dak”.

Och, legde hij uit: dat heb je vaker met Rutte. Dus de VNO-delegatie, geleid door Hans de Boer, Wientjes’ opvolger, antwoordde kalm. „Mark, bel Halbe even, want dit hebben we met hem afgesproken.” Pijnlijk? „Zo is het gegaan”, zei Van Kesteren diplomatiek.

Evengoed kon je merken dat hij Rutte en Lubbers bewonderde. Mannen die „leven in een soort leegte” en „de werkelijkheid naar hun hand zetten”. Geregeld zag hij Rutte een collega bruuskeren en twee uur later gezellig een biertje met hem drinken. „Als andere politici zouden doen wat zij flikken, waren ze voor altijd verloren”, zei hij.

En waar Lubbers ‘conceptueel’ kon denken, is Rutte puur „postmodern”. Nivelleren in Rutte II en anderhalf jaar eerder, in Rutte I, beleid waar rechts de vingers bij aflikt. „Hij verbindt zich niet met de inhoud. De ondraaglijke lichtheid van het bestaan.”

Nu heeft VNO-NCW onder Van Kesteren ook altijd een dubbelzinnige relatie met inhoud gehad. Sinds hij de werkgevers vanaf eind jaren tachtig uitbouwde tot ’s lands invloedrijkste lobby, koos VNO-NCW voor een contra-intuïtieve houding: matigheid. Nooit overvragen. „Je wilt gesprekspartner blijven, ze moeten je niet als veelvraat zien.”

Van Kesteren grossierde in dit soort wijsheden. Zijn bekendste ging over kabinetsformaties, als politici nieuwe bondgenootschappen en ander beleid smeden. „Alles moet veranderen, opdat alles hetzelfde blijft”, zei hij dan: zolang VNO-NCW maar gesprekspartner voor de nieuwe coalitie bleef, was zijn missie geslaagd.

Zo behaalde hij zijn grootste lobbysuccessen. „Zat ik in de auto, belde Balkenende: ‘Niek Jan, ik heb iets werkgeversvriendelijks voor Prinsjesdag nodig’.”

Dan suggereerde hij verlaging van successierechten, zodat familiebedrijven goedkoper in handen van nabestaanden over konden gaan. „Groot punt voor mijn leden”, zei Van Kesteren tevreden. „In twee minuten gepiept.”

Om die reden hield hij ook het contact met populisten warm. Hij had premier Kok hoog en vond het „ongelofelijk” dat Fortuyn over de Puinhopen van Paars begon. „De onzin.” Maar toen dat aansloeg - „er zat irritatie over Marokkanen onder” – trok hij de banden met Fortuyn aan.

Zozeer dat ook deze kandidaat-premier Van Kesterens hulp inriep. Drie dagen voor Fortuyns dood bezocht hij hem nog. „Hij was paniekerig, hij zei: ‘ik krijg 45 zetels, maar heb de mensen niet – Niek Jan, wat moet ik?’”

Later, in de formatie van 2002, vroeg wijlen Ferry Hoogendijk namens de LPF of hij „voor wat ministers kon zorgen”. Hij probeerde het. „Maar ja, wie wil dat nou?” Voor Rita Verdonk („een aardig mens”) deed hij later hetzelfde. „Viel ook niet mee.” Maar je moet er geen partijpolitieke voorkeur achter zoeken, zei hij. „Als GroenLinks het me vraagt doe ik het ook.”

Bij de vorming van Rutte I, met de PVV als gedoogpartner, wankelde zijn lobbyconcept. Het was „een van de boeiendste periodes” in zijn Haagse jaren, zei hij. VNO had Wilders in 2008 met een proces gedreigd wegens de schade voor bedrijven van zijn anti-islamfilm Fitna. De relatie was bedorven.

Dus toen Rutte in 2010 aanstuurde op een gedoogcoalitie met Wilders zaten de werkgevers moeilijk. Intern waren ze verdeeld. Wientjes wilde het kabinet niet steunen, Van Kesteren wel. „Ik dacht: we kunnen Wilders nu inkapselen.”

Maar „de schellen vielen ons van de ogen”, verklapte Van Kesteren, toen Rutte en Maxime Verhagen (CDA) later in een Haagse bistro het voorlopige onderhandelingsresultaat aan hem en Wientjes uitlegden.

„Links beleid voor de verzorgingsstaat en een warrig verhaal over het buitenland.” Het VNO-duo trok de wenkbrauwen op. „Rutte werd pissig: ‘Wat wil je dan?!’”

Het kabinet kwam er, VNO boog mee, niet van harte. Hij zag het al vroeg fout gaan: weken tevoren voorspelde hij me in detail hoe Rutte I zou vallen. „Ja, ik wist het”, zei hij. „Ik sprak Maxime.”

Voor Wilders voelt hij sindsdien mededogen. „Een mensonwaardige situatie, zonder partij, zonder vrienden: de stand-up comedian van de Kamer.” En de overtreffende trap van Fortuyn: „Veel zetels, geen mensen.”

Door hem en Fortuyn behoort de zwijgende meerderheid tot het verleden, zei hij ironisch: elke mening telt voortaan. Zie ook Brexit en de fragmentatie van de politiek. „Het idee dat het verstandig is dingen niet te zeggen, wat we als VNO-NCW blijven doen, is helaas uit de politiek verdwenen.”

Hij was altijd CDA’er, meer een culturele keuze dan een inhoudelijk commitment, en door zijn vertrek bij VNO-NCW zit hij sinds vorig jaar in de Eerste Kamer.

Een partijtijger schuilt niet in hem. Balkenende, de laatste CDA-premier, miste volgens hem de souplesse van Lubbers en Rutte. „Hij had niet de onverschilligheid van die twee. Hij trok het zich persoonlijk aan.” En de keuzes van Buma in de oppositie onder Rutte II kon hij ook niet altijd goedkeuren.

Dus gezien de nationale en internationale onzekerheden hoopt hij vurig dat het CDA de volgende keer weer meeregeert.

„Voor het landsbelang. Geen fratsen meer.”

Haagse Invloeden keert 3 september terug.