Top Gear is een versleten freakshow

De presentatie is het minste probleem van het Britse autoprogrammaTop Gear, stelt autojournalist Bas van Putten. Het hengstenbal was onder Clarkson al dood.

‘Jaha, 570 pk!” jubelt Top Gear-testrijder Chris Harris over de nieuwe Honda NSX. „That’s not sportscar power, that’s supercar power!” Daarna doet Chris plankgas zijn in jongenstaal bezongen mannending. Wow! That’s fast, really fast! Yes, you can! Fijne auto dus, die Honda. Alleen de schakelpaddles ogen een beetje ‘cheap’. Wordt het toch nog een test. Maar het is geen test, het is een hengstenbal. Hard, harder, hardst.

Wow is het meest gebruikte woord in Top Gear.

Ik zag zes afleveringen met het nieuwe presentatieteam. Ik vond het een sof. De nieuwe anchormen Matt LeBlanc en Chris Evans kunnen niet in de schaduw staan van Jeremy Clarkson, James May en Richard Hammond – het roemruchte trio dat vertrok nadat de eerste ontslag had gekregen wegens wangedrag.

Het zijn mannetjes. LeBlanc is een geklede Tarzan in de etalage van een herenmodezaak, Evans een perverse kruising tussen male pig en Marc-Marie Huijbrechts: „WOOOOOOW. It’s so powerful. It’s so naughty. It’s so louuuuuud! This car is ridiculous. O my god. O my god.” Van hem zijn we intussen weer verlost, nu hij wordt beschuldigd van seksueel wangedrag. Wat een speling van het lot, zo kort nadat de komische gorilla Clarkson zijn handen anderszins niet bleek thuis te kunnen houden. De onbeheersbare sen satiezucht van de petrolhead slaat blijkbaar licht over naar andere regionen van het gevoelsleven.

Foute grappen over politici en Mexicanen zijn verleden tijd, en we zien signalen van een verlicht diversiteitsbeleid. Van de co-presentatoren is er één zwart en één vrouw. Rory Reid is een sympathieke, fletse clichétrommel. Van de Duitse Sabine Schmitz blijft alleen de irritante hinnik bij. De Ierse ex-coureur en Formule 1-teambaas Eddie Jordan is gecast in de rol van oude kluns.

Rokende banden

Maar zij zijn niet het grootste probleem in een show waarin de brullende V12’s en rokende banden toch alle aandacht naar zich toetrekken. Het probleem is het format. Het is morsdood, en dat was het al toen Clarkson en zijn sidekicks nog in het zadel zaten. Top Gear is een tot de draad versleten freakshow.

Het programma is vrijwel ongewijzigd. Veel pk’s, de items als voorheen. Gast-celebrities draaien vertrouwd hun rondjes op de Top Gear-testbaan, waar de gehelmde coureur The Stig toptijden neerzet met auto’s die geen kijker kan betalen.

Het hangt van automannetjes-clichés aan elkaar. Matt LeBlanc over de Porsche 911 R: „Die auto barst gewoon van de energie.” Ja jongen, dat krijg je met 500 pk. Maar kijk eens naar het echte verhaal achter de Porsche. Die wordt als speculatie-object door schatrijke collectioneurs ver boven de nieuwprijs van de markt gekaapt, zodat de echte liefhebbers achter het net vissen. De supercar is handel voor de speculanten. Doe je journalistieke plicht en zoek het uit. Geen tijd, geen zin, de soundtrack is verslavend. „Just listen to that. O, that’s nice.” Wow.

De wereld is toe aan een serieus en scherp journalistiek tv-programma over vervoer dat mensen kopen. Doe het goed, en er kijken miljoenen mensen naar – de echte klanten. Laat die sjeiks in Dubai hun garages maar volstouwen met Ferrari’s en Porsches waar ze geen kilometer meer mee zullen rijden. Stop this, please.