Recensie

Tegen de tijd dat ik bij Branda voorreed, had de Jaguar z’n allure van jagged Jag verloren en was mijn fatalistische houding als sneeuw voor de zon verdwenen.

Het Noodlot nam niet zo gauw de gedaante aan van luchtdoelgeschut. Branda kwam me door de gang tegemoet, bleek: ‘Het lijkt niet op een ongeluk.’ En ik: ‘Tante Naomi had het over een raket. Op internet circuleerde een Twitterbericht. Inderdaad iets over een militair vrachtvliegtuig. Een Antonov-26. De oorspronkelijke tweet was inmiddels gewist. We mogen zelfs niet meer weten dat het om een vergissing ging. Het is simpelweg niet gebeurd.’

Branda zat op de rand van ons bed met wat mijn ware liefdesrivaal was: Tinus Tinnitus, zoals we hem noemden. Geen concurrent van vlees en bloed, al had hij zich diep en intiem in haar genesteld. Ze bracht haar handen naar de oren om ze dicht te drukken tegen geluiden die toch echt niet van buiten kwamen. Om geen lijdende indruk te maken bedacht ze zich: ze trommelde lichtjes met haar vingertoppen op de oorschelpen, en legde toen de handpalmen op haar blote knieën, die ze dwangmatig begon op te wrijven als een appel. ‘Je kunt morgen niet naar Gaza, Naat.’

Ik probeerde de opluchting in haar stem te peilen. Haar woorden klonken eerder als een zakelijke constatering: secretaresse annuleert wervende reis. Ik zei: ‘Nee, want ik ga naar Oekraïne. Liefst vanavond al.’ Branda’s handen gingen als vanzelf weer omhoog, richting hoofd en oren, maar ze riep ze tot de orde door ze vast te klemmen tussen haar dijen. Angstig: ‘Om wat te doen?’

‘De lichamen van mijn ouders liggen daar in oorlogsgebied. Iemand moet zich om ze bekommeren.’ En Branda: ‘Hoe wou je bij ze komen?’ En ik weer: ‘Er gaat vast wel een vliegtuig die kant op. Ik fotografeer die ellende al jaren, en weet heus wel hoe ik tot een frontlinie moet doordringen.’ ‘Natan, je bent niet goed snik,’ riep Branda uit. ‘Als ze op tien kilometer hoogte een toestel met driehonderd mensen aan boord aan flarden weten te schieten, kunnen ze het jou op de grond zeker. Daar is geen raket voor nodig. Jij wilt altijd meteen eropaf. Laat het bergen van die lichamen toch aan de officiële instanties over...’

‘Het wrak en de lijken kunnen wel in de vuurlinie terechtgekomen zijn,’ zei ik. ‘Geen hulpverlener kan er dan bij.’

‘Jij wel zeker.’ Ze greep nu wel degelijk naar haar hoofd. Tinus Tinnitus was op een Nieuwjaarsdag met een luide knal in haar leven verschenen, toen op ‘de ochtend van de korte lontjes’ een jongetje haar een stuk vuurwerk had toegeworpen, dat in haar haren bleef hangen, en vlakbij haar oor ontplofte. Ik dempte mijn stern: ‘Ik waag het erop. Het is een onverdraaglijke gedachte voor me dat ze daar weerloos in het open veld liggen.’

‘Weet ik toch.’ Ze huilde zacht, en schudde voorzichtig het hoofd om Tinus niet uit te dagen. ‘Ik vind het verschrikkelijk voor je, maar doe het niet, Natan. Nu het om je vader en moeder gaat... ik ben zo bang dat je veel te grote risico’s neemt. Jij kent geen gevaar, dat boezemt me nog het meest angst in.’

Ik liep via de tussendeur naar het televisietoestel, en schakelde naar Teletekst. Daar stond het, geel op paars, in bibberige blokletters. Branda kwam me achterna, en moest zich, blijkbaar duizelig van de oorsuizingen, aan een stoelleuning vastgrijpen. Ik zei: ‘Als vlucht MX17 door een raket is neergehaald, dan is er sprake van een misdaad, en niet zo’n kleine ook. Een massamoord. Dan is het rampgebied één groot locus delicti. Wat doe je met een plaats delict? Als de bliksem veiligstellen... voor onderzoek.’

‘En dat wou jij in je eentje voor elkaar krijgen?’ Branda liet de stoel los, stak haar wijsvingers diep in de oren, en draaide ze als sleutels om en om, zoals mensen na een bad wel deden om het kraken van zeepsop weg te nemen. ‘Laat het toch in godsnaam aan professionals over.’ Ze wapperde met haar handen als een gebedsgenezeres die de kwade vibraties van de patiënt uit haar vingers sloeg – alleen bij Branda waren het de geluiden van Tinus. Ik zei: ‘De lui die daar de dienst uitmaken, zijn geen professionals. Rebellen, piraten... amateurmoordenaars. Een zootje ongeregeld. Wodkasponzen. Ik wil er zo snel mogelijk naartoe. Kijken hoe de boel erbij ligt... naar sporen zoeken. Alles fotograferen.’

‘Als het echt zo is dat die opstandelingen het toestel uit de lucht hebben gehaald, dan zullen ze jou zeker niet laten begaan met je cameraatje.’ Haar toon was nu zo schril dat ze er zelf van schrok. ‘Dacht je dat ze de rooie loper over de steppe zouden uitrollen voor een privédetective die... die eens even hun driehonderdvoudige moord kwam oplossen? Laat je nakijken.’