Wat voorafging: Natan had vernomen dat het vliegtuig met zijn ouders was vertrokken, en dat er mogelijk een raket in het spel was. Hij reed naar huis, naar Branda, die een aanval van tinnitus te verduren kreeg.

Feuilleton in 60 afleveringen

13/60

President Tsaar op Obama Beach

A.F.Th. van der Heijden

Wat voorafging: Natan had vernomen dat het vliegtuig met zijn ouders was vertrokken, en dat er mogelijk een raket in het spel was. Hij reed naar huis, naar Branda, die een aanval van tinnitus te verduren kreeg.

Het hoofdschudden bezorgde haar blijkbaar nog te veel lawaai: ze liet het maar gewoon machteloos bungelen, op eigen zwaarte. ‘Zo gemeen.’ Ik besefte dat haar smeekbede om niet naar Gaza te gaan nog half en half een spel was geweest in vergelijking met wat er nu dreigde. In haar ogen had me in de Strook een vrijwel wisse dood gewacht, nu kwam uit een geheel nieuw oorlogsgebied de Dood me als zijn eigen bode tegemoet gesneld. ‘Het is geen zelfzuchtigheid, Natan. Vanmorgen had je nog een vader en een moeder. Een paar uur later was je wees. Als ze jou daar ook nog overhoopschieten, is er van jullie gezin niets meer over. Jij bent nu hun geheugen… schatbewaarder van de herinnering. Natan, ik spreek nu uit naam van jouw ouders: jij gaat niet naar Oekraïne.’

Branda deed haar best om onverbiddelijk te kijken. Ik nam mijn rugzak op, en legde een van de draagbanden over mijn schouder, losjes nog. ‘Want anders?’ En zij: ‘Verplicht me nou niet om nog eens te roepen dat het dan uit is tussen ons. Ik wil je op deze dag niet nog meer verlies bezorgen. Jouw roekeloosheid zal ons op den duur toch wel uit elkaar drijven. Zet die stomme rugzak neer.’ Ik haalde mijn arm door de andere band. ‘Zet het uit je hoofd, Bran, tot ik weer terug ben. Nee, een rode loper ligt daar op de steppe niet voor me uitgerold. Wel een heilige taak, zwaarder dan die van herinneringsconservator.’

‘Je weet heel goed, Naat, dat ik het niet uit mijn hoofd kan zetten. Ook letterlijk niet. Als jij ergens in zo’n schietgebied aan het fotograferen bent, wroet het geweld diep in mijn hersenen. Met dank aan Tinus. Eeuwig zonde dat er geen opnames van te maken zijn, anders kon ik je laten horen hoe dat vliegtuig telkens opnieuw neerstort… op de kruising van mijn gehoorgangen. De diagnose luidde tinnitus, maar de dokter vertelde er niet bij dat ik de herrie van duizenden kilometers verderop zou moeten opvangen… als een soort superradar. De muziek der sferen, laat me niet lachen… dat is voor mij een onophoudelijk vastlopende drijfas, die nodig eens gesmeerd moet worden. Als jij in oorlogsland bent, sterf je elke dag duizend doden tussen mijn oren. Het moet ophouden.’

Ik boog wat voorover, en schudde de rugzak op. Hij voelde nu nog licht aan: ik wist hoe hij aan gewicht kon winnen zonder dat er iets aan de inhoud toegevoegd werd. ‘Er is geen andere keus, Bran. Ik moet dit doen. Ik zweer je dat het hierna gedaan is met het geavonturier.’ En Branda: ‘Alles in me schreeuwt… en dat doet nu echt Tinus niet… dat het zo niet zal gaan. Dit wordt niet even een retourtje Oekraïne. Jij bent een doordrijver. Jij zult niet rusten, jij… zelfs in de dood niet… eer je het naadje van de kous kent: en dat is dan meestal de lont van iets heel gevaarlijks. We kunnen ons er nog zo tegen verzetten, Natan, maar de hele toestand zal een wig tussen ons slaan.’

Ze liep terug naar de slaapkamer, en ging weer op de bedrand zitten. De tranen vielen zo overvloedig op haar naakte bovenbenen dat het net was of ze het vocht met de muizen van haar handen via haar slapen uit haar hoofd perste. Ik voelde me belachelijk in mijn geknielde houding, met die bochel op mijn rug. ‘Luister, Bran… als dit achter de rug is, kap ik ermee. Dan ga ik weer gewoon mooie dingen fotograferen. En een kind, daar kunnen we dan de onderhandelingen over heropenen.’

Toen ik haar een afscheidskus wilde geven, draaide ze haar hoofd weg: ‘Maak het lawaai niet erger.’ Ik probeerde me de herrie in haar hoofd voor te stellen: een geheel in gietijzer gedachte duivel beklom een met schoolbord beplate berghelling, en zakte met zijn boefjes telkens terug, waarbij hij met roestige nagels krassend houvast zocht tussen in krijt uitgeschreven formules, die de verhouding weergaven tussen steilte van de heuvel, puntigheid van de klauwen, de kakofonische plannen van Satan en de spanning op Branda’s trommelvlies. ‘Ik ga.’ Vroeger meenden de mensen aan de blazen op een regenplas te kunnen zien dat het de hele dag zou blijven gieten. Uit de manier waarop Branda zat te huilen, als een ontroostbaar kind, met bij elk salvo snikken achterwaarts sidderend hoofdje, viel op te maken dat de tranen de rest van de dag zouden blijven komen – alles ten faveure van Tinus Tinnitus, luidruchtig handelaar in oud roest, die mijn liefdesrivaal was.

Ze hadden mijn dubbelgeparkeerde jagged Jag niet weggesleept. Een gevlekte buurthond stond in de goot hoog en hees naar de knipperlichten te blaffen, misschien omdat het tikkende geluid hem niet aanstond.

Handtekening A.F.Th. van der Heijden

Het veertiende deel van dit feuilleton verschijnt maandag 11 juli op nrc.nl/afth.