Recensie

Muziek, drank en depressie

Het dorp van het beroemde popfestival biedt een verhaal over opkomst en ondergang.

Woodstock is een merkwaardig stadje. Al was het maar omdat het festival waardoor het beroemd is, een heel stuk verderop werd gehouden, in Bethel. In Woodstock zelf was niet genoeg ruimte voor zo’n massaal festival, maar even verderop was er wel een boer die zijn land ter beschikking wilde stellen. Dat verhaal is genoegzaam bekend, maar waaraan Woodstock zijn faam dankt, is een beetje ondergesneeuwd geraakt.

Barney Hoskyns, die eerder Hotel California schreef, over muziek in Zuid-Californië, woonde er en interviewde tientallen mensen om de geschiedenis te vertellen van een magisch centrum in de jaren vijftig en zestig. Hij kwam terug met een verhaal van opkomst, ondergang, wederopstanding en nog meer ondergang.

Een belangrijk deel concentreert hij rondom Albert Grossman. Geen muzikant, maar een manager met een goed oor voor talent en een vlijmscherp financieel inzicht. Zijn roem dankt hij vooral aan het feit dat hij een tijd de gezichtsbepalende figuur achter Bob Dylan was. Hij regelde de contracten en zorgde ervoor dat Dylan – net als zijn andere artiesten – veel meer geld kreeg dan tot dan toe gebruikelijk was. Zelf vroeg hij daarvoor een percentage dat óók veel hoger lag dan gebruikelijk. Grossman werkte met onder meer Peter, Paul & Mary, The Band, Richie Havens, Odetta, Phil Ochs, Janis Joplin – Amerikaanse rootsmuziek, met de nadruk op folk.

Vooral met Dylan had hij succes, en het verhaal van hun merkwaardige band is interessant. De manier waarop Grossman op genadeloze wijze geld verdiende, contrasteerde met de vriendelijke, sociaal bewuste muziek van Dylan, die helemaal niet kon omgaan met roem en bewondering. Hij sloot zich liefst af – voor hem een van de redenen om van het overvolle Greenwich Village in New York naar het rustiger Woodstock te verhuizen. Ook daar vervreemdde hij mensen van zich; samen met Bob Neuwirth trok hij een pantser op voor mensen die hem bewonderden of van hem hielden. Vooral de wijze waarop hij Joan Baez bedriegt en beledigt, is pijnlijk om te lezen. Hoskyns’ verontwaardiging erover is onmiskenbaar en sympathiek.

Motorongeluk

Wanneer Dylan een motorongeluk krijgt, trekt hij zich een tijdje terug. Grossman gebruikt dat incident om het mysterie-Dylan te vergroten: het was lang onduidelijk wat er precies gebeurd was en hoe ernstig Dylan eraan toe was. Wel betekende het dat er aandacht was voor de artiest, zelfs al maakte hij even geen platen. De ernst van ongeluk wordt niet duidelijk, maar in een voetnoot (in de voetnoten van dit boek staan soms de beste anekdotes) haalt Hoskyns Rick Danko aan, die suggereert dat Dylan alleen maar door een jonge vrouw omver geduwd zou zijn toen hij zijn motor stationair veel herrie liet maken.

Grossman wilde meer zijn dan manager en talentscout. Hij begon daarom een studio en een platenmaatschappij, genoemd naar Bearsville, een gat bij Woodstock, met de bedoeling om geld te verdienen met elk aspect van de muziek, alsof hij keizer wilde worden van een muziekimperium dat er informeel allang was. Het succes was wisselend. De studio kostte veel geld, een groep als The Band had geen plannen om zijn eigen label te verlaten, en, zoals een medewerker van Grossman formuleerde: Grossman had een goeie neus voor hit artists, maar hit records herkende hij niet. En dat klopt: Meat Loafs Bat Out of Hell was grotendeels opgenomen in Bearsville, maar Grossman zag er niet genoeg in om de plaat zelf uit te brengen. Hij was zelfs zo’n snob dat hij zich ergerde aan het feit dat het meeste geld werd verdiend door de allerminst hippe band Foghat– in plaats van ze dankbaar te zijn.

Small Town Talk is ook het verhaal van de vrije moraal van de jaren zestig. Drank en drugs waren alomtegenwoordig, je krijgt de indruk dat het hoogst ongebruikelijk was om nuchter in de auto te zitten. Op feestjes werd achter elke gesloten deur wel iemand gepijpt.

Niet iedereen kon zich in deze vrijheid-blijheidsfeer even goed staande houden. Maar Bobby Charles kon het wel. Hij heeft een mooie geschiedenis: op zijn zeventiende schreef hij ‘See You Later, Alligator’, een succes dat hij nooit meer zou evenaren, maar waar hij wel zijn hele leven financieel op kon terugvallen. Hij komt in problemen met de politie in zijn thuisstaat en vlucht naar het Noorden. Canada haalt hij niet, en dat hoeft ook niet wanneer iemand hem vertelt dat Grossman problemen met de wet kan oplossen. Charles gaat in Woodstock wonen en maakt er een prachtige plaat waarop het liedje staat waar Hoskyns zijn boek naar vernoemde: ‘Small Town Talk’, over de roddel en achterklap in Woodstock: ‘you know how people are. They can't stand to see, someone else doing what they want to’.

The Band

Je begrijpt de magie die Hoskyns wilde vangen nog het best als je naar het kaartje van de omgeving kijkt. Daar is Big Pink, daar woonde Bob Dylan, Geoff en Maria Muldaur bleven nog best lang bij elkaar en oh ja, Todd Rundgren nam hier ook zijn muziek op! Zoveel muzikaal talent op die kleine plek, en al die fantastische muzikanten die naar Woodstock gingen ‘om hun stem te vinden,’ zoals songwriter Jon Gershen het zei.

Die verwondering voel je in Hoskyns’ verhaal, maar dat brengt ook het probleem met zich mee dat hij bijna alles even interessant vindt. Dat maakt Small Town Talk tot een rijk boek – sommige voetnoten leveren wel een kwartier luisterplezier op als je ze gaat nazoeken – en Hoskyns is goed in het karakteriseren van die eigenwijze figuren. Maar het is ook alsof je wat verloren rondloopt op een groot feest dat te lang doorgaat, en waar erg veel érg vage bekenden zijn. Dan ga je je vervelen. Toch is het de moeite waard om tot aan het eind te blijven hangen, want het verhaal over de nuchtere en briljante Todd Rundgren, die eigenwijs zijn gang kan gaan in Bearsville, is leuk. Ook de tragische ondergang van de jaren 60-generatie, wanneer steeds meer muzikanten dood neervallen of wegzinken in depressie, is scherp getroffen. Vooral de ondergang van The Band doet pijn aan je ogen. Woodstock is er nog, en er wordt nog steeds goede muziek gemaakt. Maar de tijden zijn veranderd. Tegenwoordig wordt er fanatiek gecontroleerd op dronken achter het stuur zitten.