Kindergedichten

Wat te lezen op vakantie? Wie met kinderen of kleinkinderen op reis gaat, zou de aanschaf van Bij mij op de maan kunnen overwegen, een keuze uit Russische kindergedichten vanaf de zeventiende eeuw, vertaald door Robbert-Jan Henkes.

„Kinderen volstoppen met slechte literatuur is een onvergeeflijke zonde die hun smaak voor het leven kan verpesten.” Het zijn terechte woorden van Tsjoekovski, een van de beste Russische kinderdichters, geciteerd door Henkes in zijn nawoord. Henkes leerde het Russisch van zijn Russische vrouw. In hoeverre hij getrouw vertaald heeft, kan ik niet beoordelen. Wel staat vast dat hij het in uiterst levendig Nederlands gedaan heeft. Door het boek waait de geest van Engelse nursery rhymes en van de speelsheid van dichters als Annie M.G. Schmidt en Cees Buddingh’. De meeste gedichten zijn te lang om hier over te nemen, ik volsta met twee kortere.

Eerst Sasja Tsjorny (1880 – 1932) met Vervelende lastpost:

-Waarom heeft mama in haar kin

Een kuiltje zitten middenin?

-Waarom smaakt sla altijd naar sla

En nooit een keer naar chocola?

-Waarom hebben koetjes

Pootjes en geen voetjes?

-Waarom speelt m’n zus met poppen

En wil ik met ballen schoppen?

-Waarom dragen goudfazanten

Als het sneeuwt of vriest geen wanten?

-Waarom gaat een vuurtje uit

Als je er heel hard tegen fluit?

-Dat komt om dat, dat komt om dit:

Er op jouw mond geen slotje zit.

Vera Inber (1890 – 1972) schreef Het fluitketeltje.

Het fluitketeltje is altijd heel bedrijvig,

Klein van stuk maar vol van vlijt. Alleen

Is hij misschien iets te zwaarlijvig,

En beentjes heeft hij compleet geen een.

Zonder beentjes oogt hij niet echt waardig,

Niet echt mooi en zonder iets van pit.

Maar anderzijds is het ook rechtvaardig,

Omdat hij eigenlijk alleen maar zit.

Hij draagt een deksels aardig petje,

Zijn neus is net een tuitje, echt heel lief.

Hij heeft soms ademnood, dat is geen pretje!

Dan fluit hij als een stoomlocomotief.

Hij blijft in huis een buitenbeentje:

Altijd stoom afblazen ís ook raar!

Vriendjes heeft hij niet, nou ja, maar eentje,

En dat is ook nog eens de samovar.

Dan hoor je ze, heel ijl, als op een rietje,

Tweestemmig zingen, hij en de samovar.

Het is steeds hetzelfde oude liedje,

Het liedje van wist ik het maar.

De gootsteen en het kannetje bevelen:

‘Hou op! Gek maak je ons en iedereen!’

Het keteltje zegt niets: zij zijn met velen,

En hij is maar alleen.

Frits Abrahams