‘Ik houd eigenlijk nog steeds niet van schapen’

Spitsuur Voor schaapherders Marianne Duinkerken (58) en Albert Koopman (71) is de rust op de Drentse hei veel waard: „Ik kan gespannen raken van sportvliegtuigjes boven het veld. Het veroorzaakt onrust bij de kudde.”

Foto David Galjaard

10.000 gulden startkapitaal

Marianne: „We hebben elkaar ontmoet op de zandweg hier langs het Balloërveld. Ik was aan het fietsen toen Albert opdook uit de struiken. Hij was op zoek naar een ram. We raakten aan de praat, het klikte en hij zei: ‘Loop maar eens een dag mee als schaapherder.’ Daar vond ik weinig aan. Zelfs toen ik een keer alleen met de kudde op pad ging, was dat niet leuk. De schapen liepen alle kanten op, ze luisterden helemaal niet naar mij. Maar het idee dat ik ze ’s avonds weer bij de schaapskooi moest krijgen, dat vond ik toch wel spannend.”

Albert: „Ik ben mijn loopbaan begonnen bij de marechaussee, maar heb altijd iets met dieren gehad. Op mijn twaalfde ging ik bij mijn oom op de boerderij wonen om hem te helpen.”

Marianne: „Ik ben opgegroeid in Haarlem in een intellectueel milieu.”

Albert: „Toen ik bij defensie werkte, had ik al gezien hoe verwaarloosd het Balloërveld was. Omdat ik zelf ook graag besluiten wilde nemen, ben ik in 1977 schaapherder geworden. Ik kreeg 10.000 gulden startkapitaal en 10.000 gulden loon van de provincie om een aantal terreinen te onderhouden. Die zijn later in handen van Staatsbosbeheer gekomen. Daar werken we nu nog steeds voor.”

Lammertijd

Marianne: „Soms mis ik het intellectuele leven wel. Ik lees veel, maar zou daar weleens met iemand over willen praten. Albert is meer van de Drentse literatuur.”

Albert: „Dat zeg je nou wel, maar ik heb alle religies bestudeerd om erachter te komen wie God is. Ze komen allemaal tot dezelfde conclusie: God is een onbenoembare. Waarom is er dan toch zoveel ruzie in de wereld?”

Marianne: „Daar praten we wel over, ja.”

Albert: „Alleen hebben we daar weinig tijd voor.”

Marianne: „Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat zijn we met de kudde bezig. Zeven dagen per week. Je kunt moeilijk tegen de schapen zeggen: ‘Vandaag hebben we even vrij.’”

Albert: „Maar op zondag doen we alleen wat echt nodig is.”

Marianne: „Alleen in de lammertijd kan dat niet. Dat is een drukke tijd: van kerst tot eind februari.”

Albert: „Nou, dit jaar was de lammertijd pas begin april voorbij.”

Marianne: „Welbeschouwd zijn we acht maanden bezig met de lammeren: oormerken, tweemaal inenten, en vervolgens selecteren welke je wilt houden. We gebruiken de wol, het vlees en de hoorns, dus we hebben er baat bij de dieren op te laten groeien om te zien wat we in huis hebben. Dat levert een betere prijs op.”

Verbond met de schapen

Albert: „We kunnen nooit samen een dagje weg.”

Marianne: „Albert gaat nooit verder weg dan Rolde of de sportschool in Assen. Een enkele keer gaat hij naar een andere provincie om schapen te keuren.”

Albert: „Maar ook dan blijf ik meestal in het noorden van Nederland.”

Marianne: „Ik ga elk jaar met mijn dochters op reis, maar heb dan steeds vaker last van heimwee. Ik denk dat ik een soort verbond heb met de schapen, met Albert en met het gebied. In het begin had ik helemaal niks met dieren, maar zeker sinds Albert is geopereerd en ik de kudde een paar maanden alleen heb moeten verzorgen, is mijn band met de schapen heel sterk geworden. Al houd ik nog steeds niet van schapen. Dat is maar goed ook: anders zou ik ze niet kunnen laten slachten. Het is toch meer de technische kant die me boeit: de kwaliteit van de wol en de producten die de schapen op kunnen leveren, zoals salamiworst en coppa’s [schapennekken].”

Albert: „Onze Drentse heideschapen krijgen altijd de beste beoordeling op keuringen. Dat geeft voldoening.”

Herder tot de dood

Marianne: „Door dit werk leer je enorm relativeren. Onder de blauwe hemel krijg je te maken met de waarden van de natuur. Bezit en geld zijn hier minder belangrijk.”

Albert: „De vrijheid van denken, het niet gestoord worden op de hei, dat is ons heel veel waard.”

Marianne: „Mijn stemming wordt bepaald door het gedrag van de kudde, niet door wat ik in de krant lees. Ik kan heel gespannen raken van sportvliegtuigjes boven het veld. Het is hier nota bene een nationaal park! Dat geluid verstoort iets bij mij van binnen. Net als al die loslopende honden. Het geeft onrust bij de kudde.”

Albert: „Behalve aan de schapen geef ik ook geld uit aan mijn motor.”

Marianne: „Daarnaast gaat veel van ons geld naar mijn drie studerende kinderen. En we kopen werk van mijn twee andere kinderen die kunstenaar zijn en doorstuderen.”

Albert: „Nadat de schaapskooi in 2011 afbrandde, hebben we nogal wat geïnvesteerd in het bedrijf. En Marianne heeft een eigen atelier.”

Marianne: „Daar maak ik installaties en beeldboeken – een soort dagboeken van een periode. Ik gebruik veel dingen die ik in het veld vind, zoals vleugels van dode mestkevers en vergaan blad. Het deed me verdriet dat veel van het werk verloren is gegaan bij de brand. Ik had me op mijn oude dag graag omringd met die herinneringen. Maar zolang we het fysiek aankunnen, blijven we schapen hoeden.”

Albert: „Je bent herder tot je dood, een kudde laat je nooit alleen.”