Het ploetermuseum

Het lijkt zo goed te gaan met de Nederlandse musea, die almaar meer bezoekers trekken. Maar uit een onderzoek van NRC blijkt dat het vooral voor de kleine musea vaak hard werken is om het hoofd boven water te houden.

Kwetsbaar of slecht. Zo schat ruim de helft van de kleinere musea hun financiële situatie in, blijkt uit een onderzoek dat NRC onder 144 musea heeft gehouden. Een op de zeven musea verwacht een verslechtering van zijn financiële situatie, een op de twintig vreest zelfs voor zijn voortbestaan.

Van musea bestaat nogal eens het beeld dat ze succesvol zijn, dat ze de bezuinigingen van overheden goed hebben overleefd en dat het cultureel ondernemerschap volop zijn vruchten afwerpt. Bezoekcijfers lijken almaar te stijgen. Maar het zijn vooral de grote musea als het Rijksmuseum of het Mauritshuis die op successtory’s kunnen bogen. Voor de meeste musea is het ploeteren. Dat bleek al uit het jaarlijkse cijferoverzicht dat de Museumvereniging in december publiceerde. De kleine en middelgrote musea boekten gezamenlijk in 2014 een negatief resultaat. Gemiddeld nam het negatieve exploitatieresultaat bij de middelgrote musea toe van 4.000 naar 19.000 euro en bij kleine musea van 22.000 tot 57.000 euro tussen 2011 en 2014.

Dat kwam vooral door afnemende subsidies, die ze onvoldoende goed konden maken met stijgende eigen inkomsten. De bezoekersstromen stegen met 7 (kleine musea) en 16 procent (middelgrote) aanzienlijk minder snel dan bij de grote musea (38 procent). Hun totale baten daalden tussen 2011 en 2014, bij de middelgrote musea met 5 procent en bij de kleine zelfs met 31 procent. Bij de grote musea namen de totale baten juist toe met 13 procent.

Om meer te weten te komen over hun toekomstverwachtingen, stuurde NRC een enquête naar ruim 300 musea, waarvan bijna de helft de vragenlijst beantwoordde. Het gaat om kleine musea (totale inkomsten lager dan 400.000 euro), middelgrote musea (totale inkomsten tot 3,2 miljoen euro) en de kleinere onder de grote musea (tot 10 miljoen euro).

Bijna de helft verwacht dat de gemeente, provincie of Rijk (verder) zal bezuinigen op subsidies. Vooral bij gemeenten worden verdere bezuinigingen verwacht. Die gemeenten worden als wispelturig gekenschetst. Toezeggingen of zelfs overeenkomsten om subsidies niet verder te verlagen, worden geregeld niet nagekomen, melden diverse musea. „Ondanks een schriftelijke overeenkomst zijn we per 1 januari toch 10.000 euro gekort”, aldus een museum dat anoniem wil blijven.

Toch zijn er ook musea die in dit schrale klimaat hun hoop hebben gesteld op overheidsgeld en zich voor de eerste keer voor subsidie melden. Zoals het Nederlands Uitvaart Museum Tot Zover. „Wij worden gesponsord door het bedrijfsleven en dat is zeer wankel. Twee hoofdsponsors hebben twee jaar geleden de bijdrage verlaagd”, zegt directeur Guus Sluiter. „Ondanks het aantrekken van kleinere sponsors is het sindsdien moeilijk, mede door onze tegelijkertijd groeiende ambitie.”

Meer sponsoring is lastig

Die ambitie is er bij veel musea. Ruim een kwart van de kleinere musea wil zijn financiële positie de komende jaren verbeteren. Ruim 80 procent streeft naar hogere bezoekersinkomsten, ruim 70 procent naar meer sponsorinkomsten. Meer sponsoring binnenhalen blijkt echter een lastige klus. Een kwart zag de sponsorinkomsten de afgelopen jaren al afnemen. Ook een kwart denkt dat de sponsorinkomsten in de komende jaren zullen dalen. Vooral omdat ze na personeelsinkrimpingen eigenlijk geen capaciteit hebben om aan fondsenwerving te doen. Een paar musea geven aan dat ze in de problemen kwamen toen een of twee grote sponsors of particuliere schenkers afhaakten of hun bijdragen zwaar terugschroefden. Zelfs een bedrijfsmuseum als het DAF-museum constateert dat sponsoring steeds verder afneemt. Directeur Ton Cox: „De interesse van het bedrijfsleven ligt waarschijnlijk op een ander veld.”

De helft van de musea zegt dat ze hebben moeten bezuinigen, als gevolg van subsidieverlagingen die in veel gevallen hoger waren dan 10 procent van hun budget. In sommige gevallen zoals het Muzeeum in Vlissingen lopen die in vier jaar tijd op tot 50 procent.

Bij het Elisabeth Weeshuis Museum in Culemborg verkleinde de gemeente het budget met 24,5 procent. De conservator werd weg bezuinigd, er is gekort op de kosten voor directie, educatie en communicatie. Daarmee kan nog slechts één tentoonstelling per jaar worden georganiseerd. „Via fondsenwerving proberen we daar toch twee of drie van te maken”, zegt directeur Nicole Spaans: „In 2014 openden we een compleet heringericht museum en dat vergroot de kansen op meer eigen inkomsten, onder andere door meer bezoekers. Voor ons geldt wat voor veel kleine musea geldt: er wordt hard en vol passie gewerkt. Anders zou het allemaal niet lukken.”

Ruim de helft van de musea geeft aan minder werknemers te hebben dan vijf jaar geleden. Veel van de musea draaien al volledig op vrijwilligers en hebben soms alleen een directeur in dienst. In nog verder ingrijpen in het personeelsbestand zien ze geen mogelijkheid meer. Nog maar 13,8 procent verwacht dat ze zullen inkrimpen in personeel. Bijna driekwart verwacht in de toekomst meer vrijwilligers in te zetten, bij 40 procent is dat ook echt een beleidsdoelstelling. Nu heeft een klein museum gemiddeld 50 vrijwilligers, een middelgroot museum 100.

Sommige krijgen meer subsidie

Is het alleen maar kommer en kwel? Dat zeker niet. Er zijn genoeg musea die zich van voldoende steun verzekerd weten. Bij sommige komt dat doordat een overheid in ze investeert en ook nog de subsidie opschroeft. Zo was de positie van het Stadsmuseum Zoetermeer de afgelopen jaren erg kwetsbaar, meldt directeur Jouetta van der Ploeg. „Maar eind 2015 besloot de gemeenteraad dat het museum eind volgend jaar naar een vijf keer zo grote ruimte in het verbouwde stadhuis zal verhuizen. Naast een subsidie voor de veranderingen zal ook de structurele exploitatiesubsidie fors worden verhoogd.”

Bij anderen komt dat optimisme juist voort uit steun die van particulieren uit de eigen gemeenschap komt. Museum De Zwarte Tulp in Lisse kan zonder structurele subsidie bestaan door de jaarlijkse bijdrage van 550 euro of meer van ruim 150 ondernemers uit de streek die zich verenigd hebben in het Gilde van de Zwarte Tulp. Directeur-conservator Sabine Huls: „Het museum bevindt zich in een unieke situatie wat betreft financiële steun voor een museum van dit kaliber.”