Opinie

Europa zal socialer zijn of het zal niet zijn

Brexit is de prijs van de neoliberale koers van sociaal-democratische politici, meent Thomas von der Dunk.

Foto Istock

Wederom is er niet geluisterd, en nu met een drastisch gevolg: het verlies van het Verenigd Koninkrijk als lidstaat van de Europese Unie. Het gaat daarbij helemaal niet om meer of minder Europa. Dat is de valse tegenstelling die ons door de natuurlijke tegenpolen PVV en D66 opgedrongen wordt. Het gaat om de vraag wát voor Europa we willen: een sociaal of een neoliberaal, een Europa dat burgers dient of een Europa dat vooral bankiers en bedrijven bedient.

Het is het neoliberale karakter van de huidige EU, waardoor veel kiezers in de lagere en middenklasse Europa niet als bescherming, maar als bedreiging zijn gaan zien – dat vertaalde zich in een luid ‘nee’ tegen de unie. Een electoraal verbond tussen aartsconservatieve plattelanders, die principieel niets moeten hebben van alles wat niet Engels is, en de stedelijke arbeidersklasse, die niet van globalisering heeft geprofiteerd. Zoals een van de tegenstemmers aangaf: het geld dat met bakken tegelijk door bankiers in Londen ‘voor Engeland’ is verdiend, heeft de bevolking in Noord-Engeland nooit bereikt.

Die toenemende tweedeling is lang door beleidsmakers genegeerd. Een koers die juist – en dat is de ironie van Brexit – onder druk van Britse regeringen tot stand kwam. Die zijn zich, nadat Thatcher met de vakbonden meteen ook de Engelse industrie om zeep had geholpen, ongeacht hun politieke kleur, vooral als spreekbuis van de City gaan opstellen: fiscale en financiële (wind)handel werd voor Londen het nationale verdienmodel. Dat ook Labour zich daarvoor leende, verklaart de vervreemding van de achterban. Omdat daar bij verkiezingen, wegens gebrek aan keuzemogelijkheid, voor de verweesde kiezers niets aan te veranderen viel, kwam de boosheid er via het Brexit-referendum uit.

Het egoïsme dat aan de neoliberale ideologie inherent is, ondermijnde de maatschappelijke samenhang en het maatschappelijke verantwoordelijkheidsgevoel. Door privatisering van het verdelingsvraagstuk (ook Ruttes gedachtegoed: je moet je gewoon invechten, de staat is geen geluksmachine, pech is je eigen schuld), ontstond aan de top een graaicultuur, die vanuit de bancaire sector de overheid en de semi-overheid infecteerde. De almaar bedrijfsmatiger overheid stimuleerde het consumentisme. De burger werd klant, en die loopt weg bij slechte leverantie, zoals Brexit liet zien.

Einduitkomst van drie decennia privatisering, deregulering en flexibilisering is dat de kiezers individueel als consument materiële keuzevrijheid kregen, in theorie althans, maar als collectief machteloos geworden zijn. De koers van het beleid wordt niet meer door gekozen politici bepaald, maar door ongekozen financiële markten. De uitholling van de eigen macht erodeerde ook het gezag van de politiek, zeker toen er ook nog zelfverrijkingsschandalen in de media kwamen.

Terugblikkend ging het mis bij het Verdrag van Maastricht, het begin van de grenzeloze markt en de eenheidsmunt, maar zonder scherpe randvoorwaarden. Dit leidde, als gevolg van sociale en fiscale concurrentie tussen lidstaten, tot een race to the bottom: lagere lonen voor werknemers, slechtere collectieve voorzieningen en fiscale vrijstellingen voor multinationals. De dictatuur van de financiële markten vormt het eindresultaat. De Brexit is nu een uitgelezen kans om die scheefgegroeide verhoudingen recht te zetten. Europa moet de burger beter beschermen tegen de grillen van de markt.

Europa zal socialer zijn of niet zijn. Veelzeggend dat juist dat woord in de D66-advertentie ontbreekt (‘Europa moet beter, efficiënter, democratischer’, adverteerden ze onlangs) ontbreekt. Nu Brussel verlost wordt van de Britse wurggreep, moeten sociaal-democraten en christen-democraten het markt- en efficiëntiedenken achter zich laten en terugkeren naar hun geestelijke bronnen, die het belang van de samenleving boven dat van enkele succesvolle individuen stelt. Alleen zo valt de kloof tussen hoger- en lageropgeleiden te overbruggen, die de EU nu steeds bij de stembus nekt.