Er staat een pop in het pretpark, geen principe

Hans Maarten van den Brink stelt voor het vuurtje onder de potten van Monsieur Cannibale niet al te hoog op te stoken.

Foto HD MediaGroep / FLICKR by CC

Anders dan sommige politici reageerde de directie van De Efteling ingetogen: wij gaan graag met onze critici in gesprek. Kopje thee erbij en dan een uitwisseling van standpunten over de karikatuur van een Afrikaans stamhoofd die, met een lepel door de platte neus, sinds 1988 de supervisie houdt over een rondwervelende reeks kookpotten waarin de pretparkbezoekers joelend in hun eigen waarden worden gaargestoofd.

Vorig jaar was ‘Monsieur Cannibale’ nog geen probleem van nationaal belang, nu is hij het zoveelste bruggenhoofd dat verdedigd dient te worden in de strijd voor het behoud van de Nederlandse cultuur. „Als je van de Efteling een racistische attractie weet te maken ben je compleet van het pad geraakt… ga een baan zoeken”, reageerde VVD-leider Halbe Zijlstra, die eerder al het chocolade-paasei van de Hema tot een principe-kwestie verhief nadat hij een reclamefolder verkeerd gelezen had.

Het goede nieuws: de controverses over dit soort kwesties zijn nog lang niet zo gewelddadig als in het nabije verleden – toen de overheid in 1886 een einde wilde maken aan een geliefd volksvermaak, het palingtrekken, vergde het daaruit volgende oproer 25 doden. Het slechte nieuws: ze lijken elkaar steeds sneller op te volgen, het is een ritueel geworden, het zwartepieten trekt zich van de seizoenen niets meer aan, ieder incident staat voor een principe en politici stoken graag de vuurtjes op.

Net als veel andere bezitters van witte privileges ben ik opgegroeid met de stripverhalen van Sjors en Sjimmie en heb ik mij ook persoonlijk aan ‘blackface’ schuldig gemaakt, compleet met de oerwoudgeluiden van de zwarte knecht. Pas een paar jaar geleden begon ik mij te realiseren dat het er niet zoveel toe doet dat ik daar persoonlijk geen kwaad in zag – evenmin overigens als mijn (aangetrouwde) gekleurde familieleden. Het is namelijk niet aan mij om uit te maken of iemand zich gekwetst voelt. Het is wel mijn recht om die gekwetstheid te negeren, bijvoorbeeld omdat ik de vrijheid van meningsuiting of het behoud van erfgoed belangrijker acht. (Quod non, in dit geval.)

Maar wanneer iemand dat recht dan in de openbaarheid uitoefent, lijkt het me logisch dat die daarvoor ook in de openbaarheid goede redenen geeft.

De gedachte dat ‘onze cultuur’ voor altijd vast staat is even bespottelijk als de oproep tot een politiek-correcte beeldenstorm

Op een van de sociale media las ik een mooi criterium voor het al of niet behouden van de gewraakte Efteling-attractie: zouden we ’m trots aan president Obama tonen als die op staatsbezoek was? Vermoedelijk niet.

Zo lijkt het me ook geen goed idee om op de plek van de zwarte chef-kok dan maar een Shylock te plaatsen, een karikaturale jood met haakneus en baard, een zak vol goudstukken in de ene klauw en in de andere een hoogblonde maagd. Dat stereotype behoort ook ontegenzeggelijk tot onze volkscultuur. En zelfs tot onze hoge kunst en onze theologie. Daarvan getuigen Shakespeare (Bijvoorbeeld in De koopman van Venetië) en Maarten Luther (in Over de Joden en hun leugens), die in 2016 en 2017 uitgebreid worden herdacht – maar wel degelijk op een manier die rekening houdt met nieuwerwetse gevoeligheden.

Sinds mijn geboorte in de verzuilde jaren vijftig hebben de normen en waarden van een meerderheid in de Nederlandse samenleving een spectaculaire verandering doorgemaakt. Van religieuze en etnische minderheden, en ook van nieuwkomers (zoals vluchtelingen), wordt gevraagd zich aan te passen aan de maatschappelijke consensus die zo is ontstaan. Het lijkt me lastig, soms ronduit onmogelijk om daarbij een nog hoger tempo aan te houden. Maar het rijmt in ieder geval slecht met de gedachte dat onze huidige opvattingen en alle daarmee samenhangende gewoonten en gebruiken voortaan in steen gebeiteld zijn en niet meer mogen veranderen.

Een samenleving die zo verstard is dat ze iedere aanpassing als een aanslag ervaart en iedere ontwikkeling als een verloren veldslag in een oorlog tussen culturen is er slecht aan toe. Ze mist een gezond perspectief, een relativerende blik op zichzelf en de eigen diversiteit, en dus zelfvertrouwen. Een oprecht geloof in het hele complex van rechten en vrijheden die gemakshalve als ‘westerse waarden’ worden aangeduid hoeft niet betekenen dat een deel van ‘het volk’ zichzelf gaat zien als het middelpunt van het heelal. Zo’n blikvernauwing leidt tot de steeds sneller draaiende carrousel van incidenten, tot een stammenstrijd waarin steeds weer op hoge toon geëist wordt om partij te kiezen. Zodat een argeloze burger die bijvoorbeeld vindt dat het in de Efteling nog wel losloopt zich voor hij of zij het weet ook bevindt in het kamp van degenen die een antizionist het spreken willen verbieden of sympathie hebben voor de paramilitaire jacht op vluchtelingen in Bulgarije.

Slow down, brother. De gedachte dat ‘onze cultuur’ nu voor altijd vast staat is, of het nu in een pretpark is of in het Rijksmuseum, even bespottelijk als de oproep tot een politiek-correcte beeldenstorm tegen alles wat maar in de verste verte aanstootgevend voor sommige minderheden zou kunnen zijn.

Hadden we ‘Monsieur Cannibale’ gisteren al moeten afschaffen, toen we er nog met andere ogen naar keken? ‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt’, sprak wijlen de Seculiere Verlosser. Nee dus. Er staat een pop in het pretpark, geen principe. Aanpassing lijkt een goed idee voor volgend jaar.