Recensie

Een culturele one-night stand

Voor de elite in Hollywood was een Buffet aan de muur net zo’n sine qua non als een zwembad in de tuin. Buffets verhaal is een kunstenaarsleven dat begon in glamour en eindigde in miskenning.

Bernard Buffet: ‘Zijn sinistere werk sloeg aan bij de door oorlog gedesillusioneerde jeugd’ Foto Gamma-Rapho/Getty Images

Op 4 oktober 1999 maakte schilder Bernard Buffet een wandeling met zijn honden, daarna gebruikte hij een lichte lunch met zijn echtgenote. Samen keken ze, vanaf het bordes van hun landhuis, uit over de heuvels van de Provence.

Vervolgens ging Buffet, 71 jaar oud, lid van de Académie Française, in het bezit van boten en kastelen, populair tot in Amerika en Japan, naar zijn werkkamer. Daar vond zijn vrouw Annabel hem met een plastic zak over zijn hoofd, zorgvuldig dichtgetaped met plakband waarop in eindeloze herhaling en in dikke letters zijn naam stond afgedrukt: ‘Bernard Buffet Bernard Buffet Bernard Buffet’.

De Britse schrijver en journalist Nicholas Foulkes begint zijn Buffet-biografie met die zelfmoord. Een effectieve verteltruc, want alles wat daarop volgt staat in het licht van dit ontluisterende levenseinde. Een leven vol glamour en succes, filmsterren en machthebbers. Maar ook een leven, dat zou eindigen in treurnis, frustratie, gevoelens van miskenning en eenzaamheid.

Dat leven begon in 1928 in een klein appartement in het 9de arrondissement in Parijs. Bernard Buffet wordt geboren als tweede zoon in het gezin van een spiegelfabrikant. Ze hebben het niet breed. Vader werkt hard, en als hij niet op zijn fabriek is, dan is hij bij zijn maîtresse. Met zijn moeder heeft de timide Bernard een hechte band. Als zij tijdens de oorlog plotseling overlijdt aan een hersentumor, raakt de jonge man in een depressie.

Met gebruikmaking van een fikse dosis adjectieven schetst Foulkes het Parijs tijdens de oorlog en hoe de jongen Bernard, hologig en gehuld in met verf bespatte kleren, daar rondzwerft. Gruwelijk is de scène waarin een Duitse soldaat, kort na de capitulatie van de nazi’s, voor een woedende menigte de ogen worden uitgebrand met een breinaald. De hypersensitieve Bernard vlucht weg en sluit zich op in zijn kamertje, met canvas en penselen. Het is het begin van een schildermanie. Na zijn dood liet hij een oeuvre van naar schatting ruim 8.000 doeken achter. Na de oorlog gaat alles snel: hij wordt opgepikt door een invloedrijke galeriehouder, is pas 19 als hij een solo-expositie krijgt en wint een jaar later de Prijs van de Kritiek.

Emotieloze portretten

Foulkes legt een verband met de opkomst van het existentialisme. Buffets sombere, emotieloze portretten, zijn grijs-zwarte coloriet, de harkerige, spinachtige ledematen – ze roepen een confronterend, ongemakkelijk gevoel op. Niet de kleuren van het fauvisme, niet de koele deconstructies van het kubisme, maar de sinistere beeldtaal van Buffet sloeg aan bij de door oorlog en vernietiging gedesillusioneerde jeugd.

Als filmregisseur Jean Negulesco eind jaren veertig voor Buffet valt, is de bohémien-schilder binnen de kortste keren en vogue in Hollywood. Onder anderen Humphrey Bogart en Lauren Bacall dwepen met hem. ‘Voor de elite in Hollywood is een Buffet aan de muur net zo’n sine qua non als een zwembad in de tuin,’ schrijft Foulkes.

Het fascinerende aan Buffets levensverhaal is de perceptie van zijn werk in de kunstkritiek. Wordt hij in zijn jonge jaren onthaald als groot talent en evenknie van Picasso, halverwege de jaren vijftig begint dat oordeel te kantelen. Buffet heeft zich dan in het glamoureuze leven aan de Côte d’Azur gestort, staat in ‘de bladen’ met Brigitte Bardot en Johnny Halliday en maakt geen geheim van zijn biseksuele verhoudingen. Maar bij critici oogst zijn schilderwerk steeds meer hoon. Hij krijgt het verwijt van lopende-band-werk, is te weinig vernieuwend.

Wanneer de abstracte kunst in de jaren zestig de overhand krijgt, sluit Buffet zich op in zijn kasteel, ‘met de ophaalbrug omhoog’. Van de beweging van ’68 wil hij niets weten. Stug blijft hij zijn landschappen schilderen, zijn zeilbootjes, zijn clowns. En terwijl er een steeds groter afzetgebied komt – in Japan is hij zo populair dat er een museum voor hem wordt gebouwd – wordt hij door de kritiek uitgekotst als ‘an embarrassing memory, a cultural one-night stand’. Foulkes laat overtuigend zien hoe de kunstwereld veranderd is. Hoe de rol van de collectioneurs met verstand van zaken is overgenomen door professionele handelaren die kunst als belegging zagen. En hoe de kunstenaar zelf zich ontwikkelde van armetierige bohémien tot een rijke, succesvolle media-figuur. In die zin, zo betoogt Foulkes, loopt er een rechte lijn van Buffet naar Tracey Emin en Jeff Koons.

Maar Foulkes heeft een ander punt te maken. Hij suggereert dat de kunstkritiek te snobistisch en in zichzelf gekeerd is geraakt, en dat daarom publiekslievelingen als Buffet buiten de boot zijn gevallen. Die samenzweringstheorie geeft dit boek een programmatische bijklank.

En dat is zonde, want het levensverhaal van Buffet is tragisch genoeg, ook zonder ‘schuldigen’ aan te wijzen. Met ingehouden emotie geeft Foulkes een onthutsend beeld van Buffets laatste jaren: de toenemende vereenzaming en paranoia, de drank, de verbittering. Eindigend op die 4de oktober 1999, liggend tussen zijn schilderijen, met een plastic zak over zijn hoofd. Als criticus van het kunstwereldje mag Foulkes dan soms te nadrukkelijk aanwezig zijn, als verteller is hij onverslaanbaar.