Commentaar

De Amerikaanse kwestie die Clinton én Trump aangaat

Voor Hillary Clinton leidde de ‘aanbeveling’, dinsdag, van FBI-directeur James Coney om haar niet te laten vervolgen voor haar eigenzinnige omgang met e-mail in haar functie als minister van Buitenlandse Zaken (2009-2013) ongetwijfeld tot grote opluchting. Strafrechtelijke vervolging zou haar presidentiële kandidatuur, waarover de Democratische Conventie deze zomer een besluit neemt, immers op zijn minst ernstig in gevaar hebben gebracht. Maar de woorden die de FBI-directeur koos om Clintons omgang met staatsgeheimen te typeren – „extreem nonchalant” – geven de Republikeinse oppositie genoeg munitie om het haar in de rest van het jaar moeilijk te maken om geloofwaardiger te lijken dan Donald Trump.

Clinton hield er als minister (van 2009 tot 2013) tegen alle regels voor veiligheid en transparant overheidsbeleid een privé e-mail-account op na waarmee zij gedurende haar ambtsperiode tienduizenden berichten verstuurde. In zeker 110 gevallen ging het hierbij om staatsgeheime informatie, volgens de FBI. Dit in weerwil van uitlatingen van Clinton dat dit niet het geval zou zijn. Maar, zoals donderdag ook bleek tijdens een hoorzitting in het Huis van Afgevaardigden, Coney was tot de conclusie gekomen dat Clintons gedrag „onopzettelijk” was, althans dat niet onomstotelijk kan worden bewezen dat Clinton wist dat zij vertrouwelijke informatie verstuurde.

De Republikeinse frustratie over Clintons ontsnapping aan dit zwaard van Damocles wordt geïllustreerd door de, overigens symbolische, poging van de Republikeinse voorzitter van het Huis van Afgevaardigden Paul Ryan om Clinton niet de voor presidentskandidaten gebruikelijke vertrouwelijke briefings te geven tijdens de campagne dit najaar. Trump heeft inmiddels per Twitter de opsporingsautoriteiten beticht van doorgestoken kaart. En nu de e-mailkwestie uit de weg is, zal dit gehakketak tussen de twee politieke kampen nog tot de verkiezingen in november doorgaan.

Deze aan de populaire Netflix-serie House of Cards herinnerende werkelijkheid van Washington kreeg donderdag opnieuw bloedig te verstaan dat de Verenigde Staten ondertussen te kampen hebben met de immense problemen van diepe maatschappelijke verscheurdheid. Opnieuw werden in twee staten gekleurde burgers door politiekogels gedood. Daarop werden na een demonstratie tegen het politiegeweld in Dallas vijf politiemensen door sluipschutters vermoord. Het is deze „Amerikaanse kwestie” (Obama) die eigenlijk in het middelpunt moet staan van de campagne van Democraten én Republikeinen.