Vrijwilligers zijn het kapitaal

Gemaal De Cruquius ANP XTRA KOEN SUYK

Gidsen geven in Haarlemmermeermuseum De Cruquius rondleidingen in allerlei talen: Engels maar ook Frans en Duits. „Allemaal vrijwilligers”, zegt directeur Elise van Melis. „We hebben zelfs een vrijwilliger die Japans kent.”

Met een stok wijzen de gidsen op een grote kaart aan waar de andere stoomgemalen lagen die in het midden van de negentiende eeuw samen met De Cruquius het Haarlemmermeer droogmaalden. In de machinekamer, waar zich de grootste stoommachine ter wereld bevond, zetten ze met een druk op de knop de gigantische waterpomp in beweging. Een imposant gevaarte dat vroeger bij elke slag 64.000 liter water wegpompte, maar nu alleen nog dient als illustratie van het verhaal over de Haarlemmermeer. De stoommachine is in 2002 vervangen door een hydraulisch systeem. „Ook door vrijwilligers”, vertelt Van Melis. „Zij onderhouden de machine zelf. Dat luistert heel nauw, de cilinders moeten precies waterpas staan.”

Haarlemmermeermuseum De Cruquius heeft 250 vrijwilligers. Veel van hen waren eerst verbonden aan een van de drie organisaties die in 2014 tot één stichting fuseerden: Museum De Cruquius, Museum Haarlemmermeer en de historische vereniging Meer-Historie. De locatie in Hoofddorp is gevestigd in een oude boerderij, met huisjes en winkeltjes waarin het leven aanschouwelijk wordt gemaakt van de boeren die zich vanaf 1852 begonnen te vestigen op het nieuw gewonnen land. In de velden eromheen worden regelmatig demonstraties gegeven met landbouwwerktuigen van vroeger en nu: aardappels poten, bieten rooien. „Veel van onze vrijwilligers zijn gepensioneerde boeren”, zegt Van Melis. „Vorig jaar gaven ze bijvoorbeeld een demonstratie van het handmatig ophokken van graan in schoven, dat zie je nergens meer.”

De betaalde staf van het museum telt zes mensen, inclusief de directeur, allemaal parttime in dienst. „Dat is niet veel voor een museum waar jaarlijks 40.000 bezoekers komen”, zegt Van Melis. „Maar onze 250 vrijwilligers tellen samen voor 50 voltijdswerknemers. Zij zijn ons menselijk kapitaal.”

Museumwerk is vakwerk, een professie

Vrijwilligers zijn ook voor de andere kleine en middelgrote musea van groot belang. Van de 144 musea die de enquête invulden, waren er maar 2 die geen vrijwilligers inzetten. De Museumstoomtram Hoorn-Medemblik heeft de meeste: 300. Die helpen bij de kassa, museumwinkel, rondleidingen, collectiebeheer, onderzoek, bruikleenverkeer en educatie, maar vooral bij het laten rijden van de trams. „Wij hebben een zogenaamd levend (rijdend) museum. Dit vraagt om een relatief grote vrijwilligersorganisatie”, aldus directeur René van den Broeke in een toelichting.

De inzet van vrijwilligers is meestal geen luxe maar noodzaak. Het Westfries Museum, dat 15 procent moest bezuinigen, laat taken die eerst door betaalde krachten werden gedaan, nu verrichten door de 95 vrijwilligers. Directeur Ad Geerdink: „Onze organisatie kan naar behoren functioneren dankzij de inzet van vrijwilligers, maar er moet wel een gezonde balans zijn tussen professionele ondersteuning en beleid en de inzet van vrijwilligers. Museumwerk is vakwerk, een professie. Met een goede balans zijn vrijwilligers (met hun vaak rijke werkervaring) een zeer welkome versterking.”

De aansturing van vrijwilligers kost tijd, en die is er niet altijd bij de kleine musea. „Er is een grens aan wat je met 2 fte aan betaalde krachten (inclusief 2 zzp’ers) aan vrijwilligers kunt aansturen”, schrijft Nicole Spaans, directeur van het Elisabeth Weeshuis Museum, dat 50 vrijwilligers heeft. Kasteel de Haar, dat 170 vrijwilligers heeft, worstelt met de aansturing. „Wij zijn steeds op zoek naar de goede balans tussen het aantal vaste medewerkers, de oproepkrachten en de vrijwilligers”, schrijft directeur Anetta de Jong.

De inzet van vrijwilligers is kwetsbaar, enerzijds omdat het vaak 65-plussers zijn, anderzijds omdat jongeren het vrijwilligerswerk vooral gebruiken om werkervaring op te doen. Als zij een baan krijgen, zijn ze zo weer vertrokken. Het leven van mensen is bovendien drukker geworden. Bertien van der Kolk, bestuurslid van Waterlandsmuseum De Speeltoren (65 vrijwilligers) in Monnickendam, schrijft: „Omdat mensen niet meer elke week vrijwilliger willen zijn, zijn er meer vrijwilligers nodig.”