Hij is dood en nu is er ineens wél hulp

Na de dood van Christiaan krijgt het Zoetermeerse probleemgezin volop hulp. Te veel, vindt de moeder. „Zijn wij gek?”

Het lijkt soms net alsof hij binnenkomt, als ze alleen thuis is. „Dan zie ik hem. Ik zie hem overal in mijn huis”, zegt moeder Daniëlle. „Ik heb niet het gevoel dat hij weg is.”

Het is dinsdag, een dag voor het uitkomen van het rapport van het Samenwerkend Toezicht Jeugd, over de opmaat naar de dood van haar oudste zoon Christiaan.

Bijna vijftien maanden geleden overleed hij, 22 jaar oud. Zijn zusje, een meisje met het syndroom van Down, vond hem in de slaapkamer van het Zoetermeerse huis waar het gezin nog altijd woont. Met zijn gezicht naar beneden lag Christiaan op zijn bed. Zijn lichaam, 190 kilo zwaar, voelde al koud aan. Een onbehandeld abces op zijn borst werd hem vermoedelijk fataal.

Maandenlang had hij zich, depressief, teruggetrokken op zijn slaapkamer. Zelfs zijn behoefte deed hij daar. Zijn moeder en stiefvader hadden de grip op hem verloren, het enige van vijf kinderen zonder verstandelijke beperking.

Ambulancemedewerkers kwamen vergeefs. Ze droegen hem die aprildag op een brancard en in zwarte hoes het huis uit. „Ik heb hem toen niet meer gezien”, zegt Daniëlle. „Alleen daarvoor, om hem te identificeren. Had ik hem nog maar één keer gezien, voor hij naar buiten ging.”

Ze zit in een grijze fauteuil met uitzicht op RTL4. Op het tafeltje voor haar ligt de afstandsbediening, een mobiel en een grote roze bidon waar ze tijdens het gesprek regelmatig uit drinkt.

Tegenover haar zit haar man Harry, de stiefvader van Christiaan. Harry zit op een bankstel dat de plek heeft overgenomen van een bed waarop Daniëlle vorig jaar nog haar dagen doorbracht, wegens rugklachten. Het bed is weg, de rugklachten zijn er nog. „Mijn rug is finaal kapot. Een dubbele hernia in mijn onderrug.”

Helpen met tandenpoetsen

Met het gezin als geheel gaat het beter. Hulp die ze vóór Christiaans dood nog in beperkte mate kregen, is er nu volop. Hulpverleners die de dochter met Down (18) en de jongste zoon (11) ’s ochtends en ’s avonds helpen met douchen en tandenpoetsen. Hulpverleners die de middelste twee zoons, 15 en 16 jaar, helpen bij het zoeken naar een stage vanuit hun praktijkschool. Een hulp die Daniëlle vergezelt naar de dokter, om samen te horen wat die zegt. Hulp bij het doornemen van de post. Een bewindvoerder, voor het wegwerken van schulden. Een schoonmaker, vijf à zes uur per week. De gemeente heeft het gezin twee bankstellen cadeau gedaan, de muren laten witten en beugels aan de toiletmuren geïnstalleerd.

Een gezinsvoogd van jeugdhulpinstelling William Schrikker Groep coördineert de hulp. „Ik heb vrijwel iedere dag contact met iemand rondom het gezin”, zegt zij. „Dit gezin zal altijd hulp nodig hebben.”

De kinderen varen er wel bij. De zoon van 15 heeft er nu een stage bij een manege op zitten – hij is gek op paarden. De dochter van 18 heeft haar school afgerond en gaat na de zomer naar de dagbesteding, dichtbij huis.

Maar de aandacht van Daniëlle gaat vooral uit naar de keerzijde van de zorg. Al die hulpverleners in haar huis, vooral de vrouwen die twee keer per dag meekijken bij het douchen van de kinderen. „Dat kunnen we heus zelf wel”, zegt Daniëlle.

Ze zou graag drie weken op vakantie gaan met het gezin, naar Noord-Brabant. „Even rust.” Maar dat mag niet, van de gezinsvoogd. Daniëlle: „We leven toch niet in een gevangenis?” De voogd licht toe. „Wij willen dat de hulp doorgaat. Drie weken zonder hulp, daar gaan we nog niet naar overstappen.”

Het gezin mag deze zomer wel één weekje weg. En de hulp die meekijkt bij het tandenpoetsen en douchen zal in de schoolvakantie wat later aanbellen. Om negen uur ’s ochtends in plaats van zeven uur, zegt de voogd. „Zodat ze vakantie hebben.”

De voogd wil Daniëlle en Harry ook een IQ-test laten afnemen. Het vermoeden bestaat dat zij kampen met een licht verstandelijke beperking: een IQ van 50 tot 85 gecombineerd met het onvermogen vaardigheden onder de knie te krijgen als het plannen van een dag of het bestieren van een huishouden. De voogd: „Om de hulp nog beter op dit gezin af te stemmen, hebben we dat cijfertje uit die test nodig. Dan weten we op welk niveau de ouders functioneren.”

Vrij om te gaan

Dat nut van de test is tot de ouders niet doorgedrongen. Harry voelt weerzin. „Mensen die ons nooit gezien hebben, gaan dan zo’n test afnemen en noemen ons dan lichtelijk begaafd!” Daniëlle ziet in de test juist een buitenkans. „Zo kunnen we onze vrijheid terugkrijgen.” Ze verheft haar stem en klinkt Haagser dan daarnet. „Luister nou Har! Dan hebben we straks die resultaten! En dan – pats, boem! – kunnen wij zeggen: zijn wij gek? Hier”, ze overhandigt een denkbeeldig papiertje, „je ziet toch van niet? Dan kunnen we de zorg eruit halen hier. Zijn we vrij om te gaan en staan waar we willen!”

En raad eens wat ze het allerliefste wil? „Terug naar Den Haag.” Daar woonde ze veertig jaar, daar wonen haar vrienden, haar broer, alles. De stad die ze nooit had moeten verruilen voor een ruim gezinshuis in Zoetermeer. Was ze gebleven, dáár is Daniëlle van overtuigd, dan was haar dit onheil nooit overkomen. „Dan was mijn gezin nu nog heel.”