Het definitieve Irak-rapport: Blairs misplaatste daadkracht

Onder leiding van premier Tony Blair is het Verenigd Koninkrijk in 2003 de oorlog in Irak begonnen met een zwak mandaat, ondeugdelijke inlichtingen en slechte voorbereiding, hoewel zijn regering het tegendeel beweerde met ongerechtvaardigde stelligheid.

nrcvindt

Dat is de harde conclusie van een commissie onder leiding van Sir John Chilcot die onderzoek heeft gedaan naar de episode die de Britten blijft verscheuren en met de recente Brexit-stem wedijvert als meest traumatische episode sinds 1945.

Veel was al bekend uit de vier eerdere onderzoeken. Chilcots schokkendste conclusie: dit zijn geen waarheden achteraf, maar het was te voorzien. Dat Saddam eerder massavernietigingswapens had gebruikt en zich gedroeg alsof hij ze nog bezat – Blairs eindeloos herhaalde argument om door te zetten – blijkt drijfzand. De inlichtingendiensten negeerden politiek onwelkome informatie.

Na dit rapport kan niemand het verwijt van een doofpot herhalen. Al blijven genoeg Britten teleurgesteld dat na zeven jaar hoorzittingen en het bestuderen van 150.000 documenten geen bewijs is gevonden dat Blair het land bewust heeft voorgelogen. Zij geloven dat 179 Britse militairen en ontelbare Irakezen voor niets zijn gestorven in een illegale oorlog. Hoewel hij zware kritiek heeft op de procedure van de juridische onderbouwing, zegt Chilcot daar niets over.

En dan zijn er Blairs memo’s aan Bush. „Ik steun je, wat er ook gebeurt”, schreef hij al in 2002. Daaruit spreekt het heilig vuur waarmee hij na de succesvolle interventies in Kosovo en Sierra Leone de wereld van Saddam ging ontdoen. Het toont ook dat Blair Bush al steunde voordat zijn kabinet, het parlement of de VN goedkeuring hadden gegeven. Dat zou hoe dan ook een legitimatie zijn geweest van een oorlog die vaststond. Toen die route, ondanks Blairs enorme inspanningen internationaal draagvlak te vinden, in maart 2003 doodliep op een verdeelde Veiligheidsraad, en het geduld van Bush op was, deed Blair zijn belofte gestand. Hij kon niet anders, zei hij gisteren. Hij kon wel anders, stelt Chilcot: het strenge inspectieregime doorzetten; Saddam vormde geen acuut gevaar.

De schokgolven van ‘Irak’ gaan nog steeds door. Het gehoopte domino-effect van vrede in het Midden-Oosten bleek een lachertje. Het ontmantelen van Saddams sunnitische orde hielp Islamitische Staat. Irak en Afghanistan hebben de opvolgers van Bush en Blair kopschuw gemaakt, met name in Syrië, waar Poetin zijn kans greep.

In Nederland heeft de commisie-Davids eerder geconcludeerd dat de wettige basis voor Irak niet deugde en dat inlichtingen niet spoorden met de politieke besluitvorming. Het Chilcot-rapport onderstreept die conclusies.