De directeur is er anderhalve dag

Na een verbouwing en uitbreiding had het Nationaal Glasmuseum in Leerdam in 2011 een topjaar. Sindsdien dalen de bezoekersaantallen gestaag en werd een faillissement ternauwernood afgewend. „Geen ander rijksmuseum krijgt zo weinig subsidie per bezoeker als wij.”

Foto Erik en Petra Hesmerg

Bij het Nationaal Glasmuseum in Leerdam stegen de bezoekersaantallen weer even toen NRC in maart vier sterren gaf voor een overzichtstentoonstelling van de Italiaan Ettore Sottsass. Hetzelfde gebeurde in mei. Toen had de Volkskrant bericht over de subsidieaanvraag van het museum. Het zal na vandaag vast weer gebeuren.

Gratis publiciteit: daar moet het Glasmuseum het tegenwoordig van hebben. Soms is er nog wat geld over voor flyers. Of voor een kraampje op een evenement. Maar veel is dat nooit. Sterker, bij het museum is zelfs een aantal directietaken verdeeld over de medewerkers, nu er na het vertrek van de vorige directeur (in 2015) maar voor 1,5 dag per week een directeur aanwezig is.

En dat is nog een geluk. De gemeente Leerdam had het Glasmuseum vorig jaar al een lening van 200.000 euro verstrekt „om deze periode van zwaar weer door te komen”, maar bleek daarna ook nog bereid een eigen ambtenaar te detacheren als interim – kosteloos. Léon Huberts is eigenlijk afdelingshoofd bedrijfsvoering. Hij is als gemeenteambtenaar ook de enige die via de cao wordt betaald. Bij het museum zelf zit verder niemand in een cao: dat zou te duur zijn. Die werknemers bouwen dus ook geen pensioen op. Voor de tientallen vrijwilligers die het museum helpen openhouden (balie, tuin, winkel, café, zaalwacht) is er alleen een onkostenvergoeding.

Verbouwing

Wat is er gebeurd sinds het Nationaal Glasmuseum na een grondige verbouwing en uitbreiding in 2010 de deuren heropende? En in het jaar erna meteen 90.000 bezoekers ontving? Daarvoor moeten we terug naar 2004, toen Arnoud Odding directeur werd en dít de cijfers waren: 4 medewerkers, 1 vrijwilliger, 13.000 bezoekers. Odding besloot te vernieuwen. Het museum werd uitgebreid met de villa ernaast en tussen die villa en het oorspronkelijke museum werden vier doorzichtige gangen aangelegd. Verder kwam er een fusie met een glasblazerij, zodat bezoekers kunnen zien hoe glas wordt gemaakt.

„Bij de verbouwing”, vertelt conservator Hélène Besançon, „kwamen er duizenden stukken glaswerk tevoorschijn.” Die lagen in de kelder die dienst deed als depot – en waar sinds de renovatie het museumcafé in is gehuisvest. „Schalen, borden, vazen, glazen, zelfs hele serviezen stonden er. Het was allemaal lukraak op elkaar gestapeld, overal lagen dode insecten en stof.” Nu staat die collectie uitgestald in de vitrines in de vier verbindingsgangen. Meer dan 10.000 objecten zijn het, gemaakt door bekende glasontwerpers als Copier, Heesen en Meydam. Tijdelijke exposities vinden plaats in de villa en het oorspronkelijke museum.

Resultaat van de verbouwing in 2011: 20 medewerkers (11 fte), 150 vrijwilligers, 90.000 bezoekers. Het was een topjaar. Odding ging daarna weg, hij werd directeur van Rijksmuseum Twenthe. Besançon herinnert zich de subsidieaanvraag uit het jaar erna. „Dat was voor de periode 2013 tot en met 2016. Mensen zeiden tegen ons: matig je verzoek, want anders lukt het niet.” Maar misschien had dat toch anders gemoeten. Hoe dan ook bleek het door de minister toegezegde bedrag niet genoeg voor de vaste lasten en de aflossing van de hypotheek.

Tenminste, als je bleef uitgaan van 90.000 bezoekers per jaar en daarop de uitgaven baseerde – wat het museum onder de nieuwe directie deed. De subsidieaanvraag uit 2012, schreef interim-directeur Huberts onlangs in zijn eerste Bestuursverslag, „was gebaseerd op onze prachtige resultaten en hoge eigen inkomsten uit 2011”.

Vanaf dat moment ging het moeilijker. Er werd bespaard op personeel, op marketing. De boot die in het weekend bezoekers over het riviertje de Linge vervoerde van glasblazerij naar Glasmuseum verdween: te duur om te huren. Marketing bestond vooral nog uit folderen bij culturele evenementen, op campings en bij hotels. En uit vrije publiciteit via sociale media. Alleen in 2013 was er dankzij fondsenwerving nog een echte campagne, voor de tentoonstelling Een zee van glas. Die trok meteen meer publiek.

Het gevolg was een neerwaartse spiraal. Minder publiciteit betekende minder bezoekers, minder bezoekers betekende minder inkomsten, minder inkomsten betekende minder publiciteit, enzovoort, enzovoort. De 90.000 bezoekers van 2011 werden 65.000 in 2013. En 58.000 in 2015. In dat jaar dreigde een faillissement, dat door de lening van de gemeente werd afgewend.

Lof van de Raad voor Cultuur

Vandaar dat iedereen bij het museum toch blij was, toen in mei bekend werd dat ze voor 2017 tot en met 2020 de helft krijgen van het aangevraagde subsidiebedrag: 286.497 euro in plaats van de gevraagde 698.211. Want het is wél twee keer zoveel als de afgelopen vier jaar. En er was lof van de Raad voor Cultuur: „Het museum heeft laten zien met zeer weinig middelen een aansprekende koers te kunnen varen.”

Huberts: „Wij hebben vijf keer zo veel eigen inkomsten als subsidie. Geen enkel ander rijksmuseum krijgt zo weinig subsidie per bezoeker als wij: 3 euro.” Vanwege die eigen inkomsten begrijpt Huberts niet de opmerking van de Raad voor Cultuur dat het museum „de afgelopen jaren risicovol heeft ondernomen en verloren”. Het is toch juist ondernemend als je percentage eigen inkomsten zo hoog is? Je kon nog bezwaar maken tegen feitelijke onjuistheden in het advies van de raad. Dat heeft hij gedaan. „Wie weet maakt het nog verschil.”