Zelfdestructie

Veel talent hebben en het toch niet halen – dat blijft iets treurigs, hoewel géén talent hebben ook niet alles is. Je ziet het op allerlei gebieden gebeuren, maar in de sport is het objectief het best meetbaar.Ik moest eraan denken toen ik deze week naar Nick Kyrgios, de 21-jarige Australische tennisbelofte, op Wimbledon zat te kijken. Twee jaar geleden, toen hij onverwacht de kwartfinale van Wimbledon haalde, schreef ik voor het eerst over hem. Hij had toen een spectaculaire overwinning op Nadal behaald. Alles aan hem was bijzonder: zijn multi-etnische afkomst (Grieks-Australische vader, een half-Maleisische moeder), zijn lengte (1,93m), zijn service en zijn bravoure. „Of hij ooit Wimbledon zal winnen, is nog de vraag”, schreef ik, „maar een groot talent is hij zeker.”

Vorig jaar verloor hij op Wimbledon vroegtijdig van de Fransman Gasquet. Hij vertoonde merkwaardig gedrag: één game verspeelde hij moedwillig door geen moeite te doen de bal te spelen. Het was zijn protest tegen een beslissing van de umpire, maar tegelijk een vorm van zelfdestructie, want hij schaadde alleen maar zichzelf.

Maandag ging hij nog vreemder ten onder tegen Andy Murray. Hij speelde aanvankelijk uitstekend, verloor op het nippertje de eerste set – om vervolgens volledig in te storten. Hij speelde de wedstrijd onwillig en schouderophalend uit alsof hij wilde zeggen: waar doe ik het voor, het heeft toch allemaal geen zin.

Tevoren had ik de Australiër Pat Cash, oud-Wimbledon-kampioen, bij de BBC horen zeggen: „Ik heb hem advies willen geven, maar hij zei dat hij liever zijn eigen weg koos.” Op Wimbledon speelde Kyrgios zonder coach. Af en toe zag je van hem weer flitsen van genialiteit, maar hij produceerde ook achteloos de grootste missers.

Oud-kampioen John McEnroe heeft hem lang verdedigd, hij vond hem met zijn flamboyante stijl een verrijking voor het tennis, maar ditmaal was hij genadeloos in zijn tv-commentaar. Hij noemde zijn spel „a damn shame”: „Dit doet onze sport geen goed. Kyrgios gaf maar 80 procent terwijl je 110 procent nodig hebt om terug te komen. Het is niet alleen een mentale kwestie, hij moet aan zijn spel werken. Ik hoop dat hij het als een teken aan de wand opvat, voordat het chronisch en onherstelbaar wordt, want voor mij nadert hij dat punt.”

Op het moment dat McEnroe dit zei, wist hij nog niet wat Kyrgios op zijn persconferentie na zijn nederlaag had gezegd: „Als ik het moeilijk krijg, ben ik een beetje soft.” De journalisten vroegen hem daarop of hij het beste uit zichzelf haalde om iets te bereiken. „Nee”, zei hij. „Ik houd niet van de sport, maar ik weet niet wat ik anders moet doen. Vanmorgen werd ik wakker en speelde ik wat computergames. Of dat de beste voorbereiding is? Ik weet het niet.”

„Ik weet niet wat ik anders moet doen.”

Het is eerlijke zelfkritiek, maar je wordt er geen kampioen mee, al zijn er altijd uitzonderingen, zoals destijds Andre Agassi. Onder de dwang van een tirannieke vader werd hij kampioen, hoewel hij het tennis haatte. Hij stortte vervolgens in, raakte verslaafd aan crystal meth, maar vocht zich terug naar de top, wat hem lukte mede dankzij zijn nieuwe vriendin, en groot tenniskampioene, Steffi Graf.

Misschien kan alleen dat Kyrgios nog redden: een nieuwe Steffi Graf.