Recensie

Tarzan blijft de grote witte redder

Alexander Skarsgård als Tarzan

The Legend of Tarzan begint op Greystoke Manor, waar Tarzan met Jane is neergestreken na hun terugkeer uit de jungle. Tarzans littekens verwijzen naar zijn vroegere leven als door gorilla’s opgevoed wild kind dat zich opwerkte tot koning van de jungle. In het overgeciviliseerde Engeland voelt hij zich net zo ongemakkelijk als in het smetteloze pak dat hij draagt in de House of Lords. Om te laten zien dat hij aangepast is, drinkt hij zijn kopje thee met de pink omhoog.

Dus nemen Tarzan en Jane maar al te graag de uitnodiging aan van de zwarte Amerikaanse Burgeroorlogveteraan George Washington Williams om naar Congo te reizen, het werkterrein van Leon Rom. De niets en niemand ontziende Rom wil in dienst van de Belgische koning Leopold heel Congo tot slaaf maken en het land leegroven: alle diamanten moeten naar Antwerpen. Het duurt niet lang voordat de overbekende roep van Tarzan weer door de jungle schalt en hij aan lianen van boom naar boom slingert.

De 104 jaar oude Tarzan, verzonnen door Edgar Rice Burroughs, was decennialang mateloos populair, vooral de amusante avonturenfilms met zwemkampioen Johnny Weismuller. Daarna ging het bergafwaarts en werd de mythische held een schertsfiguur, met als dieptepunt Tarzan, the Ape Man (1981), alleen herinnerd om de schaars geklede Bo Derek.

Er zit een scheutje camp in The Legend of Tarzan, maar meestal zijn de makers bloedserieus. Het met flashbacks naar zijn ‘origin story’ doorspekte verhaal biedt een neokoloniale blik op het verleden. Slavernij en uitbuiting moeten uitgebannen worden, dat zeker, maar Tarzan wordt geen hedendaagse, politiek correcte held. Die poging is jammerlijk gedoemd: hij blijft de witte redder die ditmaal de kastanjes uit het vuur haalt voor een zonder hem hulpeloze zwarte Amerikaan. Om over de Afrikanen nog maar te zwijgen.