Opinie

Salafistenschool, geen jihadcel

Openstaan voor salafisten is de beste manier om ze af te houden van extremisme, schrijft Tom Zwart.

Oude school in Rotterdam-Charlois, gekocht door salafistische stichting. Foto Walter Herfst

Het besluit van een salafistische stichting om een voormalig ROC gebouw in Rotterdam aan te kopen om daarin een Islamitisch lesinstituut te vestigen heeft het nodige stof doen opwaaien. Partijen in de Rotterdamse gemeenteraad en in de Tweede Kamer willen dat oprichting van zo’n instituut wordt tegengehouden.

Aan deze commotie ligt de gedachte ten grondslag dat het salafisme een radicale stroming is, een voedingsbodem voor terrorisme. AIVD-rapporten wijzen ook op die mogelijkheid. Maar antropologen en religiewetenschappers benadrukken dat het bij deze beweging vooral gaat om religieuze herbronning op basis van de letterlijke tekst van de koran. Die benadering kan orthodox worden genoemd, maar daarmee is ze nog niet radicaal of extremistisch.

Ook de veronderstelde onverdraagzaamheid speelt een rol. Men wijst erop dat het salafisme standpunten inneemt over bijvoorbeeld de positie van vrouwen, homoseksuelen en de scheiding van kerk en staat die moeilijk te rijmen zijn met moderne westerse opvattingen. Voor zulke organisaties zou in onze democratische rechtsstaat dan geen plaats moeten zijn. Maar uit antropologisch onderzoek blijkt dat de soep niet zo heet wordt gegeten als zij wordt opgediend. In de praktijk nemen veel moslims die zich in West-Europa hebben gevestigd langzaam maar zeker de westerse waarden over – zonder hun geloof op te geven. Zij slagen er in om hun geloof en hun deelname aan de westerse samenleving op een creatieve manier te verenigen.

Om die maatschappelijk inbedding te bevorderen is het wel nodig dat zij door de ontvangende samenleving worden verwelkomd, zodat zij zich daarvoor open kunnen stellen. Ze moeten niet worden afgezonderd en geïsoleerd. Dat risico lopen we helaas wel met het huidige overheidsbeleid. De Kamer vraagt de regering voortdurend om het arsenaal dat tegen salafisten kan worden ingezet aan te scherpen en de regering gaat regelmatig op die uitnodigingen in.

Dat is opmerkelijk, want van de bestaande mogelijkheden om personen te vervolgen wegens opruiing of organisaties te verbieden wegens strijd met de openbare orde is in het geval van salafisten nog geen gebruik gemaakt. Kortom, er is wel een veronderstelling dat salafisten de fout in zullen gaan, maar van concrete misdragingen is helemaal geen sprake. Daarbij ontstaat het risico van de self-fulfilling prophecy: door salafisten voortdurend als potentiële terroristen weg te zetten worden ze uitgesloten en neemt de kans toe dat sommigen zullen radicaliseren.

Het feit dat het geld voor het lesinstituut uit Saoedi-Arabië lijkt te komen is voor sommigen een steen des aanstoots. De vraag is waarop deze aversie is gebaseerd. Dit land maakt al van begin af aan deel uit van de internationale coalitie tegen IS. De Saoedische luchtmacht heeft in 2014 bombardementen op IS uitgevoerd, en het land heeft zich als een van de weinige bereid verklaard om grondtroepen te leveren voor een offensief tegen deze organisatie.

Met zijn financiële bijdragen helpt Saoedi-Arabië honderdduizenden moslims in Nederland en miljoenen wereldwijd om hun grondrecht van vrijheid van godsdienst te realiseren. Daarin verschilt het land niet van Nederland dat door middel van het Mensenrechtenfonds op vergelijkbare wijze probeert om de grondrechten binnen een aantal landen te bevorderen.

De vraag is hoe de volksvertegenwoordigers denken het Rotterdamse initiatief te kunnen blokkeren. Op grond van de vrijheid van onderwijs heeft iedere richting het recht om een school op te richten, of anderen dat nu leuk vinden of niet. Dat ondervond ook staatssecretaris Sander Dekker onlangs toen de Stichting Islamitisch Onderwijs Amsterdam en Omstreken een verzoek indiende voor bekostiging van een school voor voortgezet onderwijs.

Volgens het grondwettelijk kader moest de staatssecretaris het verzoek toewijzen. Dat wilde hij niet, omdat een voormalig bestuurslid van de stichting steun voor IS leek te hebben uitgesproken. Hij weigerde omdat hij er geen vertrouwen in had dat de leerlingen onderwijs zouden krijgen in overeenstemming met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Maar het probleem is dat de wet die afwijzingsgrond helemaal niet kent en daarmee was de weigering onwettig.

Als de overheid van de salafisten verwacht dat zij de grondrechten serieus nemen moet zij dus zelf ook het goede voorbeeld geven.

De juridische gymnastiek van staatssecretaris Dekker is geen voorbeeld ter navolging. Als de salafistische stichting in Rotterdam zou overgaan tot oprichting van het instituut moet de overheid daaraan dan ook gewoon meewerken.