Wat voorafging: Natan bezocht in het joodse bejaardentehuis Zafnath-Paäneah zijn 101-jarige grootvader Laban, van wie hij Russisch had geleerd.

Feuilleton in 60 afleveringen

11/60

President Tsaar op Obama Beach

A.F.Th. van der Heijden

Wat voorafging: Natan bezocht in het joodse bejaardentehuis Zafnath-Paäneah zijn 101-jarige grootvader Laban, van wie hij Russisch had geleerd.

‘Is dat nu je beroemde kleinzoon, Laban?’ Zonder dat we haar hadden zien of horen binnenkomen, stond opeens mijn grootvaders nieuwe buurvrouw midden in de kamer. Ze leek vijfenzeventig, maar was waarschijnlijk eerder vijfentachtig: heel verzorgd gekleed en opgemaakt, met een gebeeldhouwd kapsel, weliswaar geverfd maar geen pruik. Ze liep met een stok, maar daar steunde ze niet op: haar hand lag losjes op de zilveren greep. ‘Ja, dat is Natan,’ zei opa Ban. ‘Hij gaat morgen naar Gaza om de verschrecknisse te fotograferen.’

‘Ik merk het al, ik stoor,’ zei Rachel. ‘Ik laat jullie.’

‘O, die komt wel weer terug,’ zei mijn grootvader, terwijl de vrouw nog bezig was de deur achter zich te sluiten. ‘Ik denk dat ze verliefd op me is. Lastig, dat in- en uitgeloop.’

De ringtone van mijn smartphone: de klank van een telefoon uit het Bakelieten Tijdperk. Het overdadige geluid drong blijkbaar hard binnen in het gehoorapparaat van opa Ban, want hij hief verschrikt het gekrompen hoofdje. ‘Wordt daar gebeld?’ Ja, opa, een telefoontje uit de jaren dertig. Van het schermpje lichtte de naam BRANDA op. Nu al? Nog maar een paar uur geleden had ze me voorgoed laten vallen. Kwam nu de draadloze trap na, of kreeg ik een laatste kans, mits… ‘Opa, ik moet dit even aannemen. Het is Branda.’

‘Ja, het meisje gaat ja doch voor.’ Hij glimlachte. Ik ging de gang op, waar Rachel stond te posten. Ze draaide rondjes om haar stok, die ze als een passerpunt op een zwart tegeltje had geplant. Haar gezicht klaarde op. ‘O, is Laban nu vrij? De oude schurk. Ik ga even bij hem langs.’

‘Nee, Rachel, hij kan je nu niet ontvangen.’ Gunde ik opa Ban zijn late liefde niet? Ik ging beschermend voor de kamerdeur staan. Branda had inmiddels ingesproken. Ik luisterde de voicemail af. ‘Natan, bel even terug, ja? Snel, als het kan.’ Haar stem klonk niet boos meer, of ten dode toe teleurgesteld, wel gejaagd. Met mijn duimnagel activeerde ik haar nummer. ‘Nog bij je grootvader?’ vroeg ze meteen.

‘Ik verwachtte eigenlijk een foto op mijn phone… van de doorgevoerde strafmaatregel. Het vernietigde geschenk.’

‘Ik kwam er niet aan toe. Mijn broer belde. Naat, gooi je niet meteen in de zenuwen, maar… er schijnt ergens een verkeersvliegtuig neergestort te zijn.’

‘Luister, Branda, probeer me niet weer op andere gedachten te brengen. Opa Ban heeft me nu nodig. Ik vertrek morgen gewoon naar Tel Aviv. Ik ben er kapot van dat je met me gebroken hebt, maar…’

‘Volgens Gerben is er een groot toestel van de radar verdwenen. Nu niet meteen het ergste denken… het ding vloog boven Oekraïne.’

Op de gang was het koeler dan in mijn grootvaders kamer, maar dat kon niet de reden zijn dat ik me van top tot teen ijskoud voelde worden. Rachel verplaatste de rubberdop van haar stok naar een volgend zwart tegeltje, iets dichter bij mij. Ze keek me indringend aan, waarbij haar mond halfopen hing, zodat enkele gouden tanden zichtbaar werden. ‘Waar boven Oekraïne?’

‘Dichter bij Rusland dan bij Polen, dat is alles wat ik ervan begreep.’ Op de een of andere manier werkte die precisering eerder geruststellend dan nog meer verontrustend. Ik zei: ‘Het zal wel weer om zo’n militair vrachtvliegtuig van de Oekraïense luchtmacht gaan. Die worden om de haverklap door pro-Russische rebellen neergehaald.’

‘O, gelukkig. Dan moet het zoiets zijn.’

‘Zeg tegen die relnicht van een broer van je dat hij niet meteen paniek moet zaaien, want dan zal hij chaos oogsten.’

‘Als je thuiskomt, ben ik er niet. Mocht je toch nog van gedachten veranderen, en van die zelfmoordreis afzien, bel me dan… ik zal er voor je zijn. Ik laat het geschenk nog even op z’n plaats.’

Ik had het door de dichte deur heen al gehoord: opa Ban had het commentaar bij de tenniswedstrijd weer hard aangezet. Ik trof hem slapend in zijn fauteuil, met de afstandsbediening in de hand. Elk van de twee spelers slaakte bij het raken van de bal een rauwe oerkreet – niet triomfantelijk, maar als een dier in doodsnood. De einduitslag zou zeker weer een verwende tennismiljonair opleveren. Kijk, daar ging de kampioen al door de knieën op het gravel, de ene vuist martiaal gebald, in de andere het racket dat hij telkens verend op zijn hoofd liet neerkomen, roepend: ‘Yes! Yes!’ Ik hurkte bij mijn grootvader neer, schudde zijn schouder: ‘Opa, ik ga met mijn laptop op de patio zitten. Ik moet dringend iets opzoeken.’

Handtekening A.F.Th. van der Heijden

Het twaalfde deel van dit feuilleton verschijnt vrijdag 8 juli op nrc.nl/afth.