Recensie

Een selfie van een overleden vriend en een reusachtige zwaardvis

In het nieuwe boek van Bart Koubaa denkt een man aan de Portugese kust aan zijn gestorven vriend.

Illustratie Paul van der Steen

Eigenlijk is Een goede vriend, de nieuwe roman van Bart Koubaa, een boek om na te doen. Dan neem je in je eentje het vliegtuig naar Lissabon. Daar hang je een paar dagen rond in een kamer achter een souvenirwinkel, bezoek je het museum en eet je zoete pasteís in een café dat net niet genoemd is naar het legendarische stamcafé van Fernando Pessoa. Je verbaast je over het levende standbeeld van een ogenschijnlijk van de aarde opgestegen Charlie Chaplin – alleen zijn wandelstok rust op de grond. Daarna begint het echt: je neemt de bus naar Sesimbra, een kleine stad aan de Atlantische kust met ‘links en rechts de rotsen, die als voorhistorische poten van gigantische zeedieren de baai als een prooi bewaakten.’

Daar neem je een kamer in een groot, smoezelig appartementencomplex. Veel meer hoeft niet: elke dag een nieuw soort vis kopen op de markt, koffie drinken in de kantine van de muziekvereniging, rondlopen, turen naar het marinefregat in de verte, in zee zwemmen, praatjes maken, na het eten in slaap vallen in de hangmat, vriendschap sluiten met een zonderling, een flesje bier openmaken, de klusjesman bellen als er iets mis is met de afvoer – langzaam meedeinen met het leven in een kleine toeristenstad zonder ooit de code van de wifi in te voeren in je telefoon.

Een plaatsje als Sesimbra lijkt ook bijna ideaal om een roman als Een goede vriend te lezen. Koubaa (1968) voert zijn naamloze verteller naar het stadje en beperkt zich stilistisch tot het registreren van wat er gebeurt: we lezen wat de hoofdpersoon ziet, hoort en zegt. Heel precies, langs welke paadjes hij naar het strand loopt, welke graffiti hij ziet, welke woorden hij wisselt. Er treedt veelvuldig spraakverwarring op. Geweldig is de scène waarin de klusjesman (met een vocabulaire van dertig woorden Engels) de Vlaming ongevraagd naar een supermarkt buiten de bebouwde kom rijdt omdat daar het bier in de aanbieding is. Of, in een winkel: ‘Ik vroeg haar met het Spaanse woord voor vis en een vragend handgebaar waar de vismarkt was. Ze wees recht voor zich uit, in de richting van de zee.’

Dat registrerende schrijven geeft de roman in het begin iets wezenloos. Het is alsof je een toegewijd, maar niet erg begeesterd reisverslag leest. Maar dit alles heeft een doel, en voor wie geduldig leest, opent zich een schatkamer. De verteller heeft een paar dingen meegenomen op reis. Het belangrijkste is een zelfportret van een overleden vriend (fotograaf, net als Koubaa) met wie hij vroeger vergelijkbare genotsreizen maakte. Nu neemt hij de foto overal mee naartoe en vereeuwigt hij het portret af en toe – bij een reusachtige versgevangen zwaardvis bijvoorbeeld. Hij praat soms tegen zijn vriend, met wie hij een legerverleden deelt, en hoort deze in gedachten terugpraten. De verteller is geobsedeerd door verticale, hemelwaartse bewegingen en het beeld van een man in de wolken, op de rug van een vliegende vis.

De hoofdpersoon werkt tussen de maaltijden door aan een nieuwe vertaling van Ali Baba en de Veertig Rovers, op basis van een manuscript waarvan een gedeelte is ontdekt na een zelfmoordaanslag in Bagdad. Het zet hem aan het denken over de grot uit het verhaal; staat die voor een andere dimensie? En is er in het laatste deel van de tekst sprake van de spreuk ‘Kikkererwten open uw deur’?

Tulbandrots

In de Portugese werkelijkheid van de roman bevindt zich een rots op het strand, die de vorm van een tulband heeft. Er zit een grot in die wordt gebruikt door een Afrikaanse visser. De mannen gaan samen vissen en stenen gooien in het maanlicht. Jongensromantiek die natuurlijk met de dode goede vriend uit de titel te maken heeft. Maar Koubaa redeneert zijn verbanden niet door: hij is een schrijver die de dingen losjes naast elkaar zet. Het levert misschien wel de puurste vorm van literatuur op: het een en ander aanwijzen wat met elkaar te maken zou kunnen hebben. En dan afwachten wat er in het hoofd van de lezer gebeurt. Die vorm is logisch in een boek dat gaat over wat er niet meer is. Dus laat Koubaa de Afrikaan verdwijnen en is de tekst over Ali Baba een onvolledig manuscript.

Verdwijning is ook het hoofdmotief in de ontroerendste scène uit het boek. De hoofdpersoon wordt tegen zijn zin binnengehaald in het Japanse restaurant tegenover zijn appartement, waar hij een rauwe-vismaatijd voorgeschoteld krijgt. Dan haalt de eigenaresse een foto van een matroos tevoorschijn. ‘„My son”, zei ze trots, en ze wees met haar duim achter zich naar de oceaan, waar de F471 grijs afstak tegen het wiegende marineblauwe water. „I talk to him”, zei ze, „like you talk to your photo”.’ Ineens daagt je dat de lokale bevolking niet alleen vis verkoopt en de weg wijst, maar ook het verdriet van de zonderlinge Vlaming allang heeft opgemerkt– en hem woordeloos in de armen heeft gesloten.

Aan het eind van deze wonderbaarlijke roman over zijn en niet-zijn heb ik toch maar opgezocht of Sesimbra bestaat. Het antwoord op die vraag stelde me, eerlijk gezegd, een beetje teleur.