De kalme strijd tegen de tijd van Michael Dudok de Wit

Michael Dudok de Wit werkt aan 'The Red Turtle.'

Monnikenwerk is het. In de documentaire Het verlangen van Michael Dudok de Wit zien we de animator werken aan zijn eerste lange film The Red Turtle. Dat is tergend langzaam priegelwerk. Zijn groep tekenaars doet ook denken aan monniken. In een oud, koel huis in het Zuid-Franse Angoulême, werken ze in rust en stilte aan de film. Dudok de Wit met zijn grijze baardje oogt als de milde maar veeleisende abt, die over hun schouders meekijkt.

Dudok de Wit (Abcoude, 1953) kreeg in 2000 een Oscar voor zijn film Father and Daughter. Zijn nieuwe film won in Cannes een prijs en komt donderdag in de bioscoop. Maarten Schmidt en Thomas Doebele van de VPRO filmden hem tijdens de productie.

De documentaire is een weldadige film over kunst omdat het echt over het maken gaat. Niet over het leven van de kunstenaar, zoals gebruikelijk; zelfs nauwelijks over het filmverhaal. Wat ook ontbreekt is het romantische kader van de kunstenaar die hevig lijdt onder het scheppen. Er gaat niets mis. Geen drama’s, geen conflicten. Je ziet Dudok de Wit over een Franse boulevard naar zijn werk fietsen, je ziet hem tekenen en wenken geven aan zijn ploeg. Ze praten over streven naar „elegantie en schoonheid” zonder dat het „onnatuurlijk of geposeerd” lijkt. En over hoe je charme of mysterie in een beweging legt.

The Red Turtle zelf ademt ook zoveel kalme en wijze tristesse. Het gaat over een schipbreukeling op een eiland, die strijdt met een zeeschildpad, en die de liefde vindt. Het gaat over de vergankelijkheid: alles moet sterven om het geheel te laten voortbestaan. Tussen de computers staat een opgezette zeeschildpad.

Dudok de Wit vindt dat zijn film over tijd gaat. Hoe de lineaire tijd – van gisteren, vandaag en morgen – samenkomt met de cyclische tijd –van vergaan en ontstaan – en zo een spiraal vormt. Zijn streven is het tijdloze. „Wanneer iets je diep raakt, raak je het tijdloze aan.” Als de film dat kan bereiken, is hij gelukkig, zegt hij.

Er zijn wel conflicten. Zo botst Dudok de Wits perfectionisme met het productieproces van een lange animatiefilm. Over zijn eerdere, korte films deed hij zo’n zes jaar. Ongeveer één minuut per jaar. Nu moet hij tachtig minuten in tweeëneenhalf jaar produceren. Maar hij blijft kalm; je ziet hem minutenlang schuiven met het getekende neusje van een kind.

De botsing tussen eindeloos schaven en tijdnood maakt hem moe en pessimistisch, en als hij moe is, gaat de creativiteit achteruit. Ook is zijn rol anders dan bij zijn korte films, hij moet vooral beslissingen nemen, in plaats van zelf tekenen. Maar Dudok de Wit is een wijze man: hij aanvaardt de tegenslagen als onvermijdelijk verbonden aan het werk.

Verder zijn er innerlijke conflicten. Dudok de Wit verlangt naar het volmaakte, maar hij weet dat hij dat nooit kan bereiken. Zijn moeilijkste dagen beleeft hij als de film af is, en hij niets meer kan veranderen. Zijn monniken, die hem zien als „een groot kind met zijn hoofd in de wolken”, vinden dat hij moet leren: „Het kan beter, maar het is goed zo.”

Deze zomer vervangen Wilfred Takken en Thomas de Veen tv-criticus Hans Beerekamp.