Dit is het nieuwe interbellum

Er zijn mannen die beroemd worden met een protectionistisch hoogstandje, en daarna stilletjes het veld ruimen. Nee, we hebben het niet over de sliert van Britse politici die na de Brexit het bijltje er bij neer gooiden, dan wel zich een ongeluk schrokken van hun eigen succes. Het gaat hier om twee Amerikaanse politici van weleer, senator Reed Smoot en afgevaardigde Willis C. Hawley. De twee Republikeinen uit de staten Utah en Oregon waren in 1930 de drijvende kracht achter de Smoot-Hawley Act, een handelsbeperkende wet die hoge tarieven instelde op 20.000 importgoederen.

Hoewel het al langer rommelde op het internationale handelsfront, wordt Smoot-Hawley gezien als begin van de afbraak van de internationale economische orde van destijds. De wet leidde tot vergelding over en weer met andere landen, met een wereldwijde handelsoorlog tot gevolg.

Smoot en Hawley verlieten anderhalf jaar later beiden de politiek. Hun wet wordt alom aangewezen als het begin van veel ellende. De volgende episode in de economische oorlog van allen tegen alleen was het loslaten van de Gouden Standaard, waar vrijwel alle munten destijds aan gekoppeld waren. Valuta’s, eenmaal bevrijd van de ketenen van het goud, devalueerden in een concurrerende spiraal naar beneden. Nederland was overigens zeer laat met het loslaten van het goud, pas eind 1936.

Pikant detail: het eerste land dat zijn munt loskoppelde van het goud, al in 1931, was Engeland. Op dit moment breken de Britten met hun afscheid van de EU wederom als eerste de ban. Het pond sterling kelderde woensdag naar zijn laagste koers sinds 1985. Goed voor de Britse economie, en inflatie is geen probleem: daar wil iedereen toch juist méér van. Het doet de vraag rijzen of andere Europese landen niet liever óók de mogelijkheid zouden hebben hun munt te laten dalen. Zij zitten vast in de euro, de Gouden Standaard van nu. Hoe groot gaat de verleiding worden om daar nu uit te stappen?

Engeland schafte in 1931 als eerste de Gouden Standaard af

Van protectionisme komt het nu niet, nog niet. Maar het politieke verzet tegen het Transatlantisch Handels- en Investeringpact (TTIP), tussen de EU en de VS, is dermate groot dat er rekening mee moet worden gehouden dat deze overeenkomst er niet van komt. En het nieuwste slachtoffer is CETA, een soortgelijk pact met Canada. De Europese Commissie heeft dinsdag toegegeven aan nationale druk, zodat CETA nu niet meer centraal door ‘Brussel’ wordt afgehandeld, maar langs alle 28 (27) parlementen van de EU moet. Anders gezegd: vergeet het.

Er is op dit moment angstwekkend weinig fantasie nodig om je een scenario voor te stellen waarin landen, geplaagd door een hardnekkige economische stagnatie en opkomend nationalisme, rare sprongen gaan maken. De bermbommen liggen al klaar. De Italiaanse banksector, een politieke verrassing bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen, Le Pen volgend jaar in Frankrijk. Referenda daar en in andere eurolanden. Spanje en Portugal die zich niet de begrotingsboetes laten uitdelen waar Brussel voor het eerst écht mee dreigt.

En intussen zijn de financiële markten niets minder dan een freak show, waar de nieuwe jaren dertig al aan de gang lijken. Woensdag dook de rente op de tienjarige Nederlandse staatsobligatie voor het eerst onder de nul procent. Zwitserland leent nu voor 50 (!) jaar tegen negatieve rentes.

Er zijn veel en veel meer vragen dan antwoorden in deze verwarrende tijd. Een van de belangrijkste kwesties: moeten economische integratie en vrijhandel blijven evolueren? Kunnen zij tegen stilstand? Of sterven ze dan?

Maarten Schinkel schrijft elke donderdag over macro-economie en de financiële markten.