Basale beeldhouwerstekeningen van Kollwitz

In het werk van de Duitse kunstenares Käthe Kollwitz spelen handen en armen een belangrijke rol: die geven geborgenheid en troost.

Käthe Köllwitz, Piëta (detail), 1903, lithografie. 45,3 x 61,3 cm. foto Käthe Kollwitz Museum

Ze staat opgewekt, soms zelfs glimlachend op foto’s in de tentoonstellingscatalogus, in zomerse tuinen, omringd door vrienden en kleinkinderen. Maar in haar werk was het de Duitse grafica en beeldhouwster Käthe Kollwitz (1867-1945) bittere ernst. Altijd. Ze had een zwaar hoofd, dat in zelfportretten dan took vaak door een van haar handen wordt ondersteund. In haar etsen, litho’s en houtsneden bracht ze ‘de meest rauwe, meest erbarmelijke ellende’ in beeld, zoals een NRC-recensent in 1915 al schreef. Kollwitz was toen net doorgebroken met prentenreeksen over de Duitse Boerenoorlog in de zestiende eeuw en de mislukte opstand van Silezische linnenwevers in 1844. Dat werk wordt bevolkt door magere, vermoeide sloebers met Neanderthalerkoppen, die geen schijn van kans maken tegen armoede en onderdrukking, ziekte en dood.

Precies een eeuw na Kollwitz’ eerste tentoonstelling in een Nederlands museum – het Stedelijk in Amsterdam – biedt Museum Belvédère in Heerenveen nu een representatief overzicht van haar grafiek, aangevuld met enkele tekeningen en zeven kleine sculpturen. Kollwitz ging pas op latere leeftijd beeldhouwen, en je ziet vanaf dat moment ook haar grafische werk blokkiger worden, grover, vlakmatiger. Ze begint als een precieze, verhalende etser en aan het einde van haar leven maakt ze een soort beeldhouwerstekeningen in brede krijtlijnen.

Verder verandert er weinig. Het blijft tobben. In het zesde blad uit de Boerenoorlog-serie zocht een moeder al met een lantaarn naar haar dode zoon op een donker slagveld; in 1914 sneuvelde Kollwitz’ eigen zoon Peter in België en daarna ging het in haar werk voornamelijk over de band tussen moeder en kind, en over de dood die vroeg of laat die band verbreekt. Net als in de zelfportretten spelen handen en armen daarbij een even expressieve rol als gezichten. Kleine kinderen hangen om de nek of aan de rokken van hun moeder. In een menigte Moeders (1918) omvat een grote moederhand een klein kinderkopje en drukt een vrouw twee zoontjes strak tegen zich aan. Kollwitz maakte ook profane varianten op de christelijke piëta: prenten en sculpturen van rouwende moeders met een gestorven kind in de armen.

In gebarentaal wordt hier iets basaals en ontroerends uitgedrukt: dat we uiteindelijk op lijf en leden zijn aangewezen om een ander geborgenheid of troost te bieden. En niet alleen de ander. Wie alleen is, kan altijd de eigen handen nog om zich heen slaan. Zie de zelfportretten, of het bronzen reliëf De weeklacht (1940), een intieme close-up van handen om een gezicht.

In een litho uit 1935 wordt een figuur die wel wat op de kunstenares lijkt uit zo’n omhelzing met zichzelf losgemaakt door een derde hand, die van rechts het beeld in steekt. Titel van dit werk: De roep van de dood. Want ten slotte sterven ook de rouwenden. Dan ligt – in een houtsnede uit 1921 – de moeder zelf in de schoot van de Dood zoals haar zoon eerder bij haar lag. De Dood slaat vaderlijk zijn armen om haar heen. Niets om bang voor te zijn. Kathe Köllwitz’ oeuvre is het oeuvre van een vrouw die met de dood leert leven.