Column

Zinnen die verdingelijken hebben geen naam

Soms krijg ik post van een piloot. Howgozit, schrijft hij, als hij wil weten hoe het gaat. En ik, omdat ik mijn luchtvaartkennis graag op peil wil krijgen, probeer me dan in te prenten wat een howgozit ook alweer is. Een tabel die de boordwerktuigkundige vroeger gebruikte voor een vergelijking tussen de hoeveelheid brandstof die het vliegtuig gaandeweg de vlucht had verbruikt en de hoeveelheid die nodig was voor de hele vlucht. Hoe gaat het? Zitten we nog op schema? Moeten we ingrijpen of komt alles vanzelf goed?

De howgozit. Verwant aan de whodunit. Een zin die het helemaal tot zelfstandig naamwoord heeft geschopt. Want de howgozit is geen vraag, maar een grafiek, zoals de whodunit geen raadsel is maar een boek. En de pick-me-up een drankje. En de tiramisu (‘trek me overeind, pep me op’) een nagerecht. En het vademecum (‘ga met me mee’) een gids. Tastbare dingen, die je aan elkaar door kunt geven. Geef me de howgozit eens even aan; heb je de tiramisu al op tafel gezet? Er is vast een geleerde term om zulke verdingelijkte zinnen te benoemen, maar die kan ik nergens vinden.

Het woord vademecum trok lang geleden al mijn belangstelling, toen ik een reclameposter zag hangen in een universiteitsgebouw. Op school hadden ze me net zo lang geslagen totdat ik wist dat ‘cum’ een voorzetsel was dat ‘met’ of ‘mee’ betekende. Vade-me-cum. Ga-met-me-mee. En nu maakte de universiteit reclame voor ‘handige vademeca’. Alsof Heidi Kla het meervoud van Heidi Klum zou zijn. Of dra het meervoud van drum.

‘We gaven de kouklea uit de sla ettelijke lumpsa. Maar in plaats van petrolea kochten de doerakken dure parfa en protserige kostua. Waren ze nou helemaal krankjora? Joho, joho en een paar flessen met ra! We raakten in enkele ma behoorlijk uit onze ha.’

Ondanks de raarheid van het woord vademeca zijn onze kennisinstituten en universiteiten er dol op. Ze maken vademeca burgerlijk procesrecht. Vademeca energie en water. Het stadsarchief Breda heeft het zelfs tot trefwoord verheven. Op de site vind ik bij een boek over stadsbomen drie trefwoorden, ‘vademeca, flora, bomenbeleid’, waaruit je mag afleiden dat je er ook een enkele florum kunt krijgen.

„Die lilum bloem”, fleemde de vrouw met charismum die ik trof in de horecum. „Is dat een primulum?” Ik dronk een slok colum en nam een hap vlum. Wat een dramum, dacht ik, wat een dilemmum! Gum maar num, hoe dolgraag zou ik met zo’n vrouw niet eens naar Cubum, of naar Arubum, maar ik had thuis de zorg voor mijn pum. „Jum”, zuchtte ik tegen haar. „Jum!”’

Zou ik politiek bewuster zijn, dan zou ik zeggen dat het gebruik van het woord vademeca door intellectuele instellingen een teken is van de verloedering van onze joods-christelijke traditie, wat zeg ik, van onze Graeco-Romeinse waarden. Een aanwijzing dat onze eeuw in de ban is van een hedonistische gemakzucht die terugdeinst voor al wat waar is en werkelijk. Maar waarschijnlijk zou dan blijken dat ‘vademeca’ al voorkomt in het paradijsverhaal – wat maar weer eens zou bewijzen dat de mensheid nooit heeft gedeugd.

Waar was ik? O, ja, er zijn dus zinnen die verdingelijken. En waarvan je daarom een meervoud kunt maken. Vademecums. Whodunits. De tiramisu kent hopelijk geen meervoud, tenzij deftige koks er tiramisi van maken. Met de pick-me-ups gaat het weer wel.

Nu ik deze week naar een term zocht voor dit soort dingzinnen ben ik wel wat opgeschoten, maar niet veel. De term ‘zinwoorden’ bleek te worden gebruikt, maar helaas voor net iets anders dan voor de howgozit. Op het blog ‘Taaldacht’ vond ik het zinwoord omschreven als een samenstelling waarvan het eerste deel een werkwoord is en het tweede deel van alles of nog wat kan wezen.

Voorbeelden van zulke zinwoorden vond ik er ook. Een werkwoord met een zelfstandig naamwoord: ‘waaghals, dwingeland en brekebeen’. Werkwoord met bijwoord: ‘deugniet, weetniet en schreeuwlelijk’. Werkwoord met voorzetsel: ‘slokop, klimop, hangop en flapuit’. En werkwoord met bijvoeglijk naamwoord, ‘zoals in het verouderde sladood’.

Maar anders dan de howgozit waren deze zinwoorden wel heel rudimentaire zinnen; en het langere, Engelse woord voor nietsnut dat erbij stond - ‘ne’er-do-well’ – begint niet met een werkwoord en is dus volgens de definitie geen zinwoord. Het is ook geen dingzin. Zodat ik overbleef met het knagende besef dat ik weliswaar ijverig met mijn florum op stap was geweest, maar dat ik met niets thuis was gekomen. Tot nu toe had ik het antwoord op alle grote vragen simpelweg op het internet gevonden, maar nu gooide ik uit wanhoop mijn handen in de lucht. Howgozit? Tiramisu.