Opinie

    • Ellen Deckwitz

Zin

‘Doe-bloem-op-die-bakplaat!” schreeuwde mijn neefje (10) tegen de televisie, gevolgd door „Serranoham kan ECHT niet meer!” We keken Heel Holland Bakt. Omdat hij dat programma ooit zal winnen kon hij niet aanzien hoe de kandidaten een flammkuchen in elkaar blunderden. Ik hou van hem hoor, maar soms is het echt een snob. Op een zeker moment liep hij zo rood aan dat ik voor zijn vaatwanden vreesde, en maar voorstelde om een stukje te gaan wandelen. Terwijl we door de decemberregen stapten, kalmeerde hij wat. Opeens zei hij:

„Wat is eigenlijk de zin van het leven?” Ik botste van schrik nog net tegen een verkeersbord.

„Ik ben niet depri hoor”, voegde hij er vlug aan toe, „gewoon benieuwd!”

Oké, maar dat laatste veroorzaakt doorgaans het eerste.

„Ik vroeg het laatst ook aan mam,” vervolgde hij terwijl we een plas ontweken, „en die zei dat voor haar de zin van het leven draait om niet al te somber of angstig te zijn.”

Dat leek me eerder een doel dan een zin. Bovendien is hij godzijdank niet zijn moeder, die vanaf haar kinderjaren aan een paniekstoornis lijdt. Hij heeft zelf geen enkel geestelijk mankement (al hoop ik ooit onder zijn bed onthoofde barbies te vinden, gewoon ter geruststelling), sterker nog, de meesten zouden een moord doen voor zijn neurotransmitterbalans. Wat zeg je dan nog tegen zo’n normaal, blij persoon? Dat het bestaan een absurd ongeluk is dat je gewoon moet uitzitten, omdat zelfdoding ook weer zo’n bende geeft? Dat hij maar lekker moet genieten van zijn overschot aan geluksstofjes? Dan zou de zin van het leven op simpel hedonisme uitkomen, en dat is ook weer zo banaal.

Hij ziet hoe ik worstel (want o ja, naast belachelijk neurotypisch is hij natuurlijk ook nog eens superempathisch) en opeens maakt hij een raar sprongetje.

„Wacht, zie dat huis!” Hij wijst naar een doorsnee rijtjeshuis. Ik krijg er geen ooghernia van, maar mooi is anders.

„Ik kijk graag naar huizen, omdat ik dan weer weet hoeveel dingen ik níét weet. Hoe je een waterleiding aanlegt, bijvoorbeeld, of elektriciteit, of hoe je de boel warm houdt. Waar glas vandaan komt, hoe je ervoor zorgt dat het niet verzakt (want het is dus vrij zwaar, zo’n geval!). Je kunt iets dus leuk vinden terwijl je het niet per se hoeft te snappen. Een huis is voor mij een mysterie, en toch voel ik me er thuis. Dus hoef ik ook de zin van het leven niet te weten, om een prima leven te hebben!”

„Weet jij wel zeker dat je pas tien bent”, mompel ik, waarop hij moet lachen. Hij is even stil en zegt dan:

„Het is prima wonen in raadsels.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz