Tachtig kilometer voorwerk voor twintig seconden sprinten

Een massasprint begint al op 80 kilometer van de streep. Dan worden de voorbereidingen voor de sprinttrein getroffen.

Het begon bij Mario Cipollini, de Italiaan die tussen 1988 en 2005 158 keer een wielerkoers won. ‘Mooie Mario’ introduceerde de sprinttrein. Hij verzamelde in de jaren negentig een team om zich heen van mannen die bereid waren voor hem alleen op volle snelheid naar de finish te rijden, en hem op 200 meter te katapulteren.

Inmiddels wemelt het van de sprinttreinen in het peloton. Krijg je die ‘op de rails’, dan kan je massasprints winnen. Lotto-Jumbo ondervindt het dit jaar. Na een mager 2015 rijgen ze met nieuweling Dylan Groenewegen de zeges aaneen. Hoe ziet hun sprinttrein eruit?

Maarten Wynants

De Belg Wynants (34) is een ervaren wielrenner, die al sinds 2011 bij de voorlopers van Lotto-Jumbo zit. Als prof won hij nog nooit een koers, maar zich dienstbaar opstellen kan hij des te beter.

Aan hem de taak om de sprinttrein in gang te trekken. Als alles klopt, begint Wynants de sprint op twee kilometer van de finish, vier man in zijn wiel. Vijfhonderd meter lang geeft hij alles en dan stuurt hij naar een open plek in het peloton om ruimte te maken voor de volgende.

Timo Roosen

Het is goed toeven achter de schouders van de 1,94 meter lange Tourdebutant Timo Roosen. Een levend windscherm. Roosen is explosief genoeg om zeventig kilometer per uur te rijden, maar hij kan het ook nog eens een minuut volhouden. Hij gaat dan diep in het rood, gaaf vindt hij dat. Hij neemt drie man in zijn kielzog mee, die hem maar net bij kunnen houden. In theorie zit Groenewegen dan nog op zijn gemak. „De sprinter mag hier nog geen energie verspelen. Hij hoort met zijn ogen dicht te rijden, in het volste vertrouwen op zijn team”, zegt Giant-coach Adriaan Helmantel, die vaak succesvol was met de sprinttrein van Marcel Kittel.

Sep Vanmarcke

Dan is het de beurt aan een spierbundel uit België, 1,90 meter lang en kasseienspecialist bij uitstek. Voor Sep Vanmarcke is het de eerste keer dat hij meewerkt in een sprinttrein. Hij vindt het leuk, zegt hij, maar ook eng. „Het is eigenlijk gekkenwerk wat we doen. Mijn vrouw durft nu niet meer te kijken naar sprintetappes. En in de Tour begint het positie kiezen al op tachtig kilometer van de streep. Het is flikken of geflikt worden. Na Timo moet ik dertig seconden volle bak. Voor de mensen thuis klinkt dat makkelijk, maar ik zit al aan mijn limiet als ik aan mijn beurt begin. En dan ga je nog een stapje verder. Totdat ik naar bed ga, ben ik aan het hoesten.”

Deze positie is volgens Tom Steels, oud-sprinter en nu sprintcoach bij het Etixx-Quickstep, voorbehouden aan de renner met de grootste en sterkste motor. „Hij moet kunnen corrigeren als er iets misgaat. Er zijn mannen die dit decennia proberen te doen, maar die het nooit lukt.”

Robert Wagner

De Duitse winnaar van een etappe in de Ronde van Spanje (2011) is de road captain van de sprinttrein. ‘Waggie’ is het meest ervaren. Hij zet de lijnen van de trein uit, begint al te roepen naar zijn mannen op tachtig kilometer van de streep. „Links, hier naar buiten sturen, daar dat gat in.” Wagner geeft de commando’s ver voordat de sprint begint. Maar hij is daarna ook nog de lead-out-man, hij zet Groenewegen zo laat mogelijk af, heeft de beste timing van iedereen.

Wagner hoeft niet lang te sprinten, maar bereikt in korte tijd een hoge topsnelheid. „Ik ben explosiever dan Sep, maar ik kan het minder lang volhouden. Sep kan met wind tegen nog wat corrigeren als we worden weggeduwd. Hij heeft meer pk’s.”

Dylan Groenewegen

Dan is het tijd voor de man om wie het draait tijdens de sprintetappes deze Tour, de Nederlands kampioen. Versloeg dit seizoen het Duitse sprintkanon André Greipel in Rund um Köln en sprintte naar nog zes zeges. Kwam er zaterdag niet aan te pas omdat hij probeerde rondvliegende fietsonderdelen te ontwijken. Maandag leek het erop dat hij het wiel van Roosen niet kon houden en werd hij tiende. „Misschien heb ik een fout gemaakt”, zei Groenewegen na de finish .

Wie zijn lichaamsbouw goed bestudeerd, begrijpt waarom hij de kopman van de sprinttrein is: korte kuiten als gewapend beton, staalkabels van armen, hij is gedrongen (1,77 meter) maar oersterk.

Groenewegen is technisch begaafd, stuurt goed, en is voor de duvel niet bang. Hij straalt zelfvertrouwen uit, is niet nerveus te krijgen, zelfs niet in zijn eerste Tour. Hij houdt van chaos. Met een grijns: zaterdag ontweek ik net een valpartij. Daar krijg ik een kick van.”

De ideale sprint van Groenewegen duurt een seconde of twintig. De momenten daarvoor is hij de baas, zegt Sep Vanmarcke. „Als hij ‘go’ zegt, dan luisteren we naar hem.” Hij geeft de beslissende commando’s, maar moet het uiteindelijk zelf doen.

Zijn fysieke energiesysteem voorziet dan in een explosie van kracht. Gaat hij te vroeg, dan wordt hij ingehaald. Te laat en hij is nog niet op volle snelheid. Alles moet kloppen. Zeker in de Tour de France.