Opinie

Even rust na Brexit? Let op CETA, een soort TTIP

Met het handelsakkoord CETA stelt Europa zich alsnog bloot aan bedrijfsclaims die de democratie ondermijnen, waarschuwt Bas Eickhout.

Toen in juni 2013 de regeringen van EU-landen hun zegen gaven aan de Europese Commissie om een verstrekkend handelsakkoord met de VS te onderhandelen, had vrijwel niemand van TTIP gehoord. Hoe anders is de situatie nu. TTIP is niet meer weg te slaan uit de media en de nationale politiek. De kritiek bereikt een punt waarop het onzeker is of het akkoord ooit nog het licht zal zien.

Datzelfde kan helaas niet gezegd worden van CETA, het handelsakkoord tussen de Europese Unie en Canada, dat in tegenstelling tot TTIP al in de laatste fase van besluitvorming zit. De EU en Nederland dreigen een ingrijpend verdrag ingerommeld te worden zonder dat er een democratisch debat over plaatsvond. Eurocommissaris Malmström presenteerde deze week het voorstel aan de nationale regeringen om CETA te ondertekenen en alvast voorlopig in werking te laten gaan.

Volksvertegenwoordigers hebben alle reden om op hun hoede te zijn. Zorgen over TTIP zijn ook van toepassing op CETA. Volgens een studie in opdracht van de Commissie zou het handelsakkoord de EU jaarlijks 0,08 procent extra groei opleveren. Tegenover dit beperkte economische voordeel staan enorme risico’s voor democratie en rechtsstaat.

Zo voorziet CETA in vergaande afspraken over standaarden en ‘technische’ samenwerking over regelgeving. Daarmee dreigen besluiten over wetgeving zich te verplaatsen van openbaar debat in parlementen naar gesloten werkgroepen waarin belangen van bedrijven boven het algemeen belang gaan.

Waar de één relatief strenge Europese regels voor de toelating van chemische stoffen beschouwt als technische handelsbarrière is het voor de ander een essentiële regel voor bescherming van consument en milieu. Ook maakt CETA de liberalisering van diensten tot standaard waar alleen bij uitzondering van kan worden afgeweken. Het beperkt de keuzevrijheid van overheden om diensten publiek te organiseren.

Veruit het bezwaarlijkste element is het ‘investor to state dispute settlement’, ISDS: voor het eerst sluit de EU een verdrag waarin een aparte rechtsgang voor buitenlandse investeerders wordt gecreëerd. Buitenlandse investeerders kunnen overheden aanklagen in tribunalen waartoe gewone mensen of binnenlandse bedrijven geen toegang hebben.

Malmström en minister Ploumen beweren dat ISDS ‘dood en begraven’ is omdat het hoofdstuk investeringsbescherming in CETA op punten hervormd is ten opzichte van bestaande bilaterale overeenkomsten. Hierop plakten zij het nieuwe label ‘Investment Court System’ (ICS). De hervormde variant is weliswaar een kleine verbetering, maar het bezwaar tegen ISDS blijft overeind: buitenlandse investeerders krijgen een rechtsgang die andere partijen niet hebben. Een machtig wapen om overheden onder druk te zetten wanneer regels of besluiten tegen hun haren instrijken.

Zelfs als TTIP niet doorgaat, dan stelt Europa zich met CETA alsnog bloot aan Amerikaanse claims: vier van de vijf Amerikaanse bedrijven die actief zijn in Europa beschikken over een vestiging in Canada. Na Brexit zou je denken dat de Europese Commissie reflecteert op de kritiek die in de aanloop naar het referendum geuit is: onvrede over het democratische gehalte en het handelsbeleid. Commissievoorzitter Juncker gaat echter stoïcijns door op de ingeslagen weg. Hij liet vorige week weten dat wat de Commissie betreft CETA geen goedkeuring van nationale parlementen nodig heeft. Zelfs als de 28 regeringen dit besluit unaniem omverwerpen en alsnog nationale ratificatie eisen, wordt CETA grotendeels voorlopig toegepast in afwachting van nationale parlementen.

Als het proces van ratificatie door parlementen op hobbels stuit, kan deze voorlopige toepassing nog voor een onbepaalde tijd doorwerken. Terugdraaien is zowel juridisch als politiek lastig. Multinationals beschikken straks dus over een uiterst controversieel handelsakkoord dat nationale parlementen heeft omzeild.

Een van de grootste problemen van de Europese Unie is de te grote invloed van banken op financiële wetgeving, van autofabrikanten op uitstootnormen en van de chemische industrie op voedselveiligheid.

Het handelsverdrag CETA geeft het bedrijfsleven nu nog meer instrumenten om het algemeen belang te ondermijnen.

Mijn inschatting is dat CETA net als TTIP een volwaardig maatschappelijk debat niet overleeft. Als het aan de Europese Commissie ligt, komt dat debat er niet eens.