Alert zijn bij salafistische scholing, maar geen verbod

Volkomen begrijpelijk doet de aankoop van een groot schoolgebouw in Rotterdam door een omstreden salafistische organisatie wenkbrauwen fronsen. De combinatie onderwijs en salafisme stelt immers verre van gerust. Madrassa’s – zoals Koranscholen in de islamitische wereld heten– zijn de laatste tijd te vaak in verband gebracht met terrorisme. „Kweekvijvers voor de jihad”, zijn ze wel genoemd. Het ongemak is dus te plaatsen en dient zeker niet te worden genegeerd.

Toch is de rustige reactie van het kabinet een verstandige. Eerst de feiten, zei Lodewijk Asscher (Integratie, PvdA) toen hij afgelopen vrijdag met het nieuws werd geconfronteerd. Politici die niet direct in de allerhoogste versnelling overschakelen beginnen zo langzamerhand een zeldzaamheid te worden. Maar zeker bij een tegenwoordig zo gevoelig onderwerp als de islam is de nuchterheid die Asscher ten toon spreidt zeer dienstbaar.

De feiten dus graag. Het is bijvoorbeeld nog niet eens duidelijk wat de aan het salafisme gelieerde kopers van het voormalige ROC in Rotterdam-Zuid van plan zijn in het pand te vestigen. Dat er een lesinstituut komt, ligt voor de hand, maar wat voor vorm dit moet aannemen en op welke doelgroepen de activiteiten zullen worden gericht; het is allemaal nog onbekend. Overigens is die onduidelijkheid volledig veroorzaakt door de kopers die zich tot nu toe in het openbaar van elk commentaar hebben onthouden. Een houding die niet ten goede komt aan het gewenste en noodzakelijke vertrouwen.

Nuchterheid van overheidswege mag niet leiden tot naïviteit. De vaak stuitende onverdraagzaamheid jegens anderen die samengaat met het salafisme vraagt om uiterste alertheid. Maar tegelijkertijd mag dit er niet toe leiden dat de grondbeginselen van de eigen rechtsstaat worden aangetast. Nederland kent de vrijheid van geloofsovertuiging. Deze vrijheid geldt ook voor mensen die salafistische stromingen aanhouden. Dat wil zeggen: zolang zij met hun opvattingen niet de vrijheid van anderen aantasten.

In dit spanningsveld dient de overheid te opereren. Het kabinet was hierover helder in een brief eerder dit jaar aan de Tweede Kamer toen het schreef: „De overheid staat neutraal ten aanzien van wat mensen geloven, maar niet ten aanzien van de Nederlandse kernwaarden.”

Dit is precies waar het om gaat. Waar het salafisme grenzen overschrijdt kan en moet worden opgetreden met de middelen die de Nederlandse rechtsstaat ten dienste staan. Verbieden bij voorbaat hoort hier niet bij.