Waar blijft de ambulance?

Ambulances moeten vaker uitrukken. Bevolkingsgroei, ouderen die langer thuis wonen: dat merken ze op de ambulance meteen.

Ambulanceverpleegkundige Thijs Gras maakt zich, samen met zijn collega, op voor zijn avonddienst. Foto’s Maurice Boyer

Door de ambulancestandplaats klinkt het gekraak van een portofoon. Een oproep van de meldkamer: „Val van hoogte.” Twee medewerkers springen in de ambulance. Geconcentreerde blikken. Ze draaien snel het asfalt op en schieten weg. „Een hele serieuze melding”, zegt Thijs Gras, ambulanceverpleegkundige op de standplaats Amsterdam-West. „Ze krijgen onderweg te horen hoe ernstig de situatie precies is. Altijd spannend. Je weet nooit precies wat je zal aantreffen.”

In deze garage, op het terrein van het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis-West, is plek voor zeven ambulances. Aan de muur rekken met gele jassen. Thijs Gras en zijn collega, de chauffeur, melden zich aan bij de meldkamer, vlak voor hun dienst om 16.00 uur begint. Nu kunnen ze worden opgeroepen. Hun ambulance is de enige die niet op pad is. Gras: „Je ziet het, we zijn voortdurend allemaal bezet, het is hier altijd rennen en vliegen.”

De ambulancesector staat onder druk. Het aantal ritten dat ambulances moeten rijden, is de afgelopen jaren sterk toegenomen. De groei van 18 procent wordt onvoldoende opgevangen door extra personeel en materieel, waardoor ambulancemedewerkers het veel drukker hebben gekregen. In 17 van de 24 regio’s zijn ambulances te vaak te laat bij een spoedgeval. Dat betekent: niet binnen 15 minuten. Het is niet zo dat er doden zijn gevallen, zeggen ambulancemedewerkers, maar bij verschillende diensten is men bang dat de werkdruk gevaar oplevert voor de patiënt.

Ambulances rijden drie soorten ritten: 15-minuten ritten voor grote spoed, 30-minuten ritten voor milde spoed, en ‘besteld vervoer’ zonder tijdslimiet – denk daarbij aan een patiënt die naar een hospice moet worden gebracht. Het bestelde vervoer loopt steeds vaker vertraging op, doordat ambulances te druk zijn. Hoe kon de werkdruk op de ambulance zo groeien?

Thijs Gras (54) heeft middeleeuwse geschiedenis gestudeerd. Hij werkte bij het Rode Kruis, en kreeg daar interesse in de acute zorg. Toen besloot hij een opleiding tot verpleegkundige te volgen, eind jaren tachtig. Sinds 1995 werkt hij bij Ambulance Amsterdam, in zijn geboortestad. In die jaren is het steeds drukker geworden, vertelt hij op de ambulancestandplaats. „Toen ik begon zaten we hier nog weleens op de bank televisie te kijken tijdens de dienst. Dat komt nu bijna nooit meer voor. We zijn altijd onderweg.”

Amsterdam is de drukste ambulanceregio van Nederland en met vijfhonderd medewerkers een van de grootste diensten. De problemen in de sector zijn hier ook het meest zichtbaar, vertelt directeur Jan Pierik. Iedere maand komen meer dan 19.000 telefoontjes binnen op de meldkamer; veel meer dan in andere regio’s en vooral veel meer dan een paar jaar terug. Per dienst moeten de ambulancemedewerkers gemiddeld meer dan vier keer uitrukken. Landelijk is dat minder dan drie keer.

Pierik: „Soms valt dat mee, dan komen de telefoontjes gespreid. Maar een inzet vergt in principe veel tijd en kracht. Dit soort aantallen zorgt ervoor dat we echt op het randje moeten werken. Het is heel, heel veel.”

Flippende toeristen

Daar komt bij dat Amsterdam de afgelopen jaren kampte met interne problemen. De dienst kwam onder toezicht te staan van onder meer de Inspectie voor de Gezondheidszorg vanwege hygiëneproblemen en ontevreden personeel. Die problemen zijn nu voorbij; het toezicht is opgeheven.

Deze week moest Thijs Gras naar een vrouw, ruim in de negentig, die op haar hoofd was gevallen. Ze had een wondje en moest eigenlijk mee naar het ziekenhuis. Dat weigerde ze. Gras: „We waren meer dan een uur bezig om in haar omgeving te checken of we haar thuis mochten laten, en of iemand haar dan kon ondersteunen. Dat wondje was niet zo ernstig, maar ze moet wel worden opgevangen. Onze ambulance is al die tijd uit de roulatie.”

Het is, vertelt Gras, tekenend voor de toegenomen drukte op de ambulance. Maatschappelijke veranderingen zijn op de 230 standplaatsen in het land heel snel te zien. Wanneer het toerisme toeneemt (landelijk 40 procent sinds 2000, in Amsterdam met meer dan 50 procent) zien de ambulancemedewerkers dat direct. Gras: „Veel toeristen komen hier naartoe met het idee dat hasj legaal is en dús veilig. Nou, zo werkt het niet voor iedereen. De laatste jaren moeten we vaak naar flippende toeristen; soms denken ze dat ze doodgaan. Wat ik dan doe? Meestal is rust brengen genoeg. Ik zeg altijd: er is één medicijn. Dan zijn ze meteen geïnteresseerd. Dan zeg ik: en dat is tijd.”

De komst van de mobiele telefoon heeft voor een berg extra 112-telefoontjes gezorgd. Vroeger wisten ze op ambulancemeldkamers dat het serieus was als veel mensen over hetzelfde spoedgeval belden. Nu zegt dat niets meer. Gras: „Niemand heeft meer zin om zelf te gaan kijken als iemand op de grond ligt. Dat was twintig jaar geleden anders; men bekommerde zich in mijn ogen meer om elkaar. Nu is het makkelijk om de mobiele telefoon te pakken en ons te bellen.”

Dat ziet hij ook aan het aantal gevallen waarin wordt uitgerukt, „terwijl er niets aan de hand is”, zegt Gras. „Dat is soms echt ongelooflijk. Komen we ergens, ben ik blij dat ik nog een druppel bloed zie, dat ik nog snap waarom ze hebben gebeld. Dat vind ik erg, omdat we die tijd kwijt zijn. We kunnen dan nergens anders naartoe, ook al is het een serieus geval. Het draagt bij aan de druk op de ambulance.”

Ouderen die thuis wonen

Nog zo’n voorbeeld: als het kabinet besluit dat ouderen langer thuis moeten blijven wonen (het is de bedoeling dat voor 2020 circa achthonderd van de tweeduizend verzorgings- en verpleeghuizen sluiten), dan liggen er dus steeds meer ouderen in de ambulance. De categorie „tussen wal en schip”, noemen ze dat bij de ambulancedienst. Te goed voor het verzorgingshuis, te slecht voor thuis. Daar vallen de ouderen, branden zich aan het gasfornuis, of bellen de kinderen 112 als hun ouders een verwarde indruk maken. „Wrang”, zegt Gras. „Wij moeten dat opvangen, maar daar is niet over nagedacht toen het werd besloten.”

Het leidt tot een aantal problemen. In Amsterdam: het duurt gemiddeld 2,38 minuten voordat de meldkamer een telefoontje heeft verwerkt, een inschatting van de ernst heeft gemaakt, en een ambulance op pad heeft gestuurd. Dat is 38 seconden langer dan afgesproken. Landelijk: in 17 van de 24 ambulanceregio’s zijn wagens vaker dan afgesproken beroepsnormen te laat bij een spoedgeval. „Waar bleven jullie nou”, horen de medewerkers dan. En een recent probleem: spoedeisendehulp afdelingen in ziekenhuizen die vol liggen en een opnamestop afkondigen.

Eerstehulp afdelingen van ziekenhuizen en ambulancemeldkamers in Noord-Holland en Flevoland sloegen daarover onlangs alarm in een brief aan minister Schippers (VVD, Zorg). Vorig jaar moesten de spoedeisendehulp afdelingen van ziekenhuizen in die regio bijna 2.300 keer een opnamestop afkondigen. Drie jaar geleden gebeurde dat nog maar 430 keer. De ambulances moeten naar een ander ziekenhuis rijden, wat tijdverlies en daardoor gevaar oplevert voor de patiënt. Er is een geval bekend van een ambulance die negen minuten op de vluchtstrook stil moest blijven staan, omdat geen enkel ziekenhuis in de buurt plek had. De patiënt overleefde ternauwernood.

Personeelstekort

Vraag in directiekamers naar oplossingen en het gaat al snel over personeelstekort. Hans Simons, voorzitter van branchevereniging Ambulancezorg Nederland, ziet dat er vooral in de grote steden personeelsproblemen zijn: „Het is moeilijk om gespecialiseerde verpleegkundigen te vinden.”

Paul Martina, die namens zorgverzekeraar Zilveren Kruis ambulancezorg inkoopt in 13 van de 24 regio’s: „Normaal gesproken vragen we diensten om iets meer personeel in te plannen dan nodig. Als iemand dan ziek is, kan uitval tijdig worden opgevangen. Maar we zien nu dat dit in veel regio’s niet lukt. Simpelweg omdat ambulancediensten niet genoeg mensen kunnen krijgen.” Jan Pierik stelt het nog harder, over zijn dienst: „We hebben een fors gebrek aan verpleegkundigen, terwijl we vaker moeten uitrukken. Die kloof begint echt heel erg vervelend te worden.”

Er zijn volgens Pierik en Simons grofweg twee oplossingen: meer geld en meer samenwerking. Geld moet komen van de zorgverzekeraars. Zij betalen de ambulancediensten nu jaarlijks ruim 500 miljoen euro om hun werk te doen, dat is onderdeel van het budget dat de minister vaststelt voor de gezondheidszorg in Nederland. Dat bedrag is berekend aan de hand van het aantal ritten dat in 2012 werd gereden. Dat waren er door het hele land jaarlijks 100.000 minder dan nu. Dat bedrag is dus niet meer van deze tijd, vindt Pierik. Hij vertelt dat wordt onderhandeld met de zorgverzekeraars om de prijs beter te laten aansluiten op het huidige aantal ritten. Paul Martina: „Het klopt dat we die prijs baseren op 2012. Het ministerie zal daar landelijk naar moeten kijken. Tegelijkertijd is meer geld niet altijd de oplossing. Je kunt het geld namelijk niet uitgeven als er geen personeel te krijgen is en onvoldoende uitzendkrachten bovendien. We zullen vooral moeten kijken of we de opleidingen beter kunnen laten aansluiten op het werkveld, en naar betere samenwerking in de sector.”

Hans Simons stelt ook dat de samenwerking tussen ambulancediensten, huisartsen en ziekenhuizen beter moet. „De ambulancediensten hebben last van ontwikkelingen in de maatschappij en in ziekenhuizen. Dat moet je regionaal oplossen. Er is een regionaal overleg tussen ziekenhuizen en ambulancediensten, maar dat is nog te veel een leuke praattafel. Een probleem als de opnamestops in ziekenhuizen moet je samen oplossen: er moet een partij zijn die knopen doorhakt. Die is er nu niet.”

Een kind dat is gestikt

In de garage van Ambulance Amsterdam hopen de medewerkers vooral op nieuwe collega’s. Het is, vertellen ze daar, belangrijk dat de druk afneemt.

Thijs Gras: „Wie op de ambulance werkt, heeft ook ruimte nodig voor verwerking. Na een heftige gebeurtenis kun je niet zomaar verder werken. Denk aan een kind dat is gestikt. We hebben speciaal opgeleide medewerkers die ons helpen om met zulke hevige emoties om te gaan. Die gesprekken worden gevoerd tijdens de dienst, dus er vallen dan auto’s uit. We willen natuurlijk niet op die manier denken, want verwerking is het belangrijkste. Maar als het nóg minder wordt, dan vrees ik dat er ook minder tijd is voor zulke gesprekken.”