‘Mijn ego was te groot voor mijn lichaam’

(40) gaat als zeiler naar de Paralympische Spelen. Negen jaar geleden stopte hij met zijn

baan in de financiële wereld. ‘Toen ik de deur achter me dicht trok, kromp ik van twee meter naar 1,25 meter.’

Als Rolf Schrama een kamer binnenloopt, zijn alle ogen op hem gericht. Ook in het Amsterdamse restaurant waar we hebben afgesproken, draaien mensen hun hoofd om als hij in de deuropening verschijnt. Rolf heeft diastrophische dysplasie, een zeldzame vorm van dwerggroei. Hij is 1,25 meter lang en loopt moeizaam.

Dat Rolf (40) nieuwsgierige blikken van zich af kan laten glijden, is te danken aan jaren van soul searching. Driekwart van zijn leven was hij boos op de wereld en zichzelf. „Ik wilde gewóón zijn”, vertelt hij. „Maar ik wás niet gewoon. Niet volgens de algemene norm.”

Voor een buitenstaander is het moeilijk te bevatten dat je kunt doen alsof je ‘gewoon’ bent, als je 1,25 meter lang bent. Rolf deed het door doelen te stellen en oogkleppen op te zetten. In de twee uur die volgen legt hij uit hoe. In kleermakerszit in de loungebar.

De vader van Rolf was stoffeerder, zijn moeder werkte in een kledingzaak. Twee jaar na de geboorte van hun gezonde oudste dochter, kregen zij een zoon. Rolf I, zoals hij hem voor het gemak noemt, had een open rug, een hazenlip en een zwak hart. Hij leefde vijf dagen. Zijn ouders wisten niet dat ze een zeldzaam gen droegen, ze wilden graag een tweede kind.

En dus werd Rolf geboren. Waarom hij naar zijn overleden broer werd vernoemd? Rolf haalt zijn schouders op. „Ik weet het niet. Mijn ouders vonden het waarschijnlijk een mooie naam.” Rolf grapt wel eens dat hij door de dood van Rolf I voor twee moet leven. „Alsof ik iets goed te maken heb. Zo voelt het wel een beetje.”

Rolf leefde niet alleen voor twee, maar wilde ook bewijzen dat de artsen ongelijk hadden gehad toen ze bij zijn geboorte vaststelden dat zijn handicap een mooie toekomst in de weg zou staan. Hij doorliep de mavo en havo, daarna volgden de heao en een doctoraal economie. „Ik wilde geld en status. Het leek mij dé manier om een mooie vrouw te veroveren.”

Rolf werd zelden gepest in zijn geboortedorp De Rijp, maar als het gebeurde, zorgden zijn vrienden ervoor dat de pestkop in elkaar werd gebeukt. Op school was hij een populaire jongen. En toch liepen de meiden aan hem voorbij. „Eerst dacht ik: mijn tijd komt nog wel. Later raakte ik verbitterd.”

Thuis was zijn aandoening geen onderwerp van gesprek. Niet omdat zijn ouders het dood zwegen, maar omdat Rolf voor zijn gevoel een gewone jongen was. „Ik deed er alles aan niet met mijn handicap geconfronteerd te worden. Als ik kleine mensen op straat zag, draaide ik mijn hoofd om. Ik meed ramen en spiegels.”

Terwijl de muziek in de loungebar aanzwelt, zet de serveerster soep op tafel. Rolf schuift van de bank af en pakt met zijn stramme vingers een lepel. „Hoeft niet”, zegt hij als ik vraag of ik kan helpen. „Ik heb altijd alles zelf gedaan.” Als peuter kroop hij eens met zijn benen in het gips naar een speelgoedauto, omdat zijn moeder hem aanspoorde zijn grenzen te verleggen. Hij was twee toen hij tot verbazing van zijn ouders begon te lopen.

Zijn doorzettingsvermogen zat hem ook in de weg. Zeker toen hij als adolescent wrokkig werd. „Die combinatie pakte slecht uit.” Rolf voelde zich verheven – iets waar hij nu veel verdriet van heeft. Hij vond mensen vaak lui of dom. Vrienden die in zijn ogen niet ambitieus genoeg waren, kregen te horen dat ze niet alles uit het leven haalden. „Wie wordt nou loodgieter als je ook bankdirecteur kan worden”, zei hij dan.

Na zijn studie kreeg Rolf een baan als financieel expert in Amsterdam. Hij had een mooi huis en een leuke boot. Maar diep van binnen wist hij dat er iets niet klopte. „Tijdens lunchtijd hing ik vaak rond op de Westermarkt, terwijl collega’s uitgebreid gingen tafelen. Dan maakte ik een praatje met twee homo’s die de hele dag bier dronken en ruzie met elkaar maakten. Ze waren verdrietig als vandalen de bloemen bij het Homomonument hadden vernield. Eén van hen had hiv. Het was een en al ellende.”

En toch was hij een beetje jaloers op de mannen, zegt Rolf. Want ondanks alles waren ze „gewoon zichzelf” en leefden ze in vrijheid. En hij? „Ik voelde me opgesloten in mezelf door hoe ik met mijn handicap omging. Ik walgde van wie ik was geworden: een loser met een dik salaris.”

Op een dag – hij was 31 – voer Rolf met twee vriendinnen in zijn boot. Het was mooi weer, hij zette het op een zuipen. Tot het stil werd, hij hoorde het water klotsen. „Je bent veranderd, Rolf”, zei een van de vrouwen. „Je bent harder geworden.” Die opmerking raakte hem diep. Zijn lip trilt als hij er negen jaar later aan terugdenkt.

Een paar dagen na de boottocht diende Rolf zijn ontslag in. Tot schrik van zijn ouders, die wisten dat hij geen plan B had. Maar Rolf trok de grote kantoordeur achter zich dicht en liep zijn vrijheid tegemoet. „In de paar minuten dat ik naar mijn auto liep, kromp ik van twee meter naar 1,25 meter”, grinnikt hij. „Mijn ego was veel te groot geweest voor mijn lichaam. Ik moest door het stof.”

Rolf deed iets wat altijd tegennatuurlijk had gevoeld: hij zocht contact met lotgenoten. „Ik heb gegoogeld op het woord ‘lilliputter’ en zag foto’s van mensen die best gelukkig leken. Daarna schreef ik mij in voor een conferentie van drieduizend little people in Seattle.” Had hij in het begin nog medelijden met ‘die kleine mensen’, later die week raakte hij met hen aan de praat. „Ik vond het prettig iemand recht in de ogen te kijken en een hand op een schouder te kunnen leggen.” Kort voor zijn terugreis, ging hij voor een passpiegel staan. „Voor het eerst durfde ik naar mezelf te kijken. Een emotioneel moment.”

Er zijn drie componenten van succes, zegt Rolf: doorzettingsvermogen, talent en passie. Aan die eerste twee heeft het hem nooit ontbroken, naar passie moest hij op zoek. Hoewel hij nooit iets met sport te maken wilde hebben – „ik kon als gehandicapte toch niet meekomen” – schreef hij zich in 2013 in voor een paralympische talentendag. Hij raakte in gesprek met een zeilcoach en sprak af „voor de gein” het water op te gaan.

Rolf werd gegrepen door het zeilen. Hij voelde zich vrij en zag dingen die hij vroeger nooit zou hebben opgemerkt. Vogels in hun vlucht. Een zeehond die zijn kop boven het water uitsteekt. „Die eerste zeiltocht flitste het al door mijn hoofd: ik ga naar de Paralympische spelen in Rio.”

Natuurlijk zou het een zware opgave worden, maar nooit eerder werd hij zó door iets gegrepen. „Door hard te trainen kon ik voor mijn gevoel alles bereiken.”

Vorig jaar werden Rolf en zeilmaatje Sandra Nap geselecteerd voor ‘Rio’. In september gaan ze in hun tweemansboot voor een medaille. „Dat is zo’n raar doel! In de bancaire wereld hebben verlies en winst een heel andere dimensie. Zakelijk succes heeft weinig met gevoel te maken. Een medaille wel, maar wat voor waarde hang je er aan? Soms ben ik aan het ploeteren in dat bootje en weet ik niet eens waarom. Doe ik het voor mezelf of voor de buitenwereld?”

Dat zeilen vanaf volgend jaar geen paralympische sport meer is, heeft Rolf voor kennisgeving aangenomen. „Het betekent dat ik nieuwe dingen mag gaan doen, waarover ik nu nog niet kan nadenken. Maar ik ben wel positief.”

En die mooie vrouw? „Ik heb lang gedacht dat mijn handicap mijn vijver zou verkleinen. Dat alleen de kleine visjes over zouden blijven. Maar anderhalf jaar geleden ontmoette ik de liefde van mijn leven. Ze is de mooiste vrouw van de wereld.”

Toen Rolf zijn moeder over haar vertelde, vroeg ze of zijn vriendin ook klein is. „Ze is precies goed”, antwoordde hij.