Huisvesting blijft ver achter bij toestroom van vluchtelingen

Woningbouwcorporaties geven meer vrijkomende woningen aan vluchtelingen met verblijfsvergunning. Toch blijkt extra bouwen nodig.

Illustratie Architectenbureau Micha de Haas

Woningcorporaties wijzen dit jaar gemiddeld 14 procent van hun vrijkomende sociale woningvoorraad toe aan vluchtelingen met een verblijfsvergunning, de zogeheten statushouders. Het gaat om 28.000 woningen. Dat is meer dan een verdubbeling in vergelijking met vorig jaar. Toen werd 6 procent van de sociale woningvoorraad toegewezen aan statushouders.

Dat blijkt uit enquêtes die Aedes, de branchevereniging van woningcorporaties, heeft gehouden onder 134 corporaties. Gemeenten moeten dit jaar 46.400 statushouders huisvesten, maar lopen nu al achter. In het eerste half jaar van 2016 zijn in totaal 18.089 statushouders gehuisvest, ruim minder dan de helft dus.

Geen gevoel van urgentie

Het aantal statushouders dat een beroep zal doen op goedkope woningen zal, ondanks een afkalvende vluchtelingenstroom, nog verder toenemen. Dat komt onder meer doordat de helft van de alleenstaande vluchtelingen, nadat ze een verblijfsvergunning hebben gekregen, familieleden laat overkomen, de zogeheten ‘nareizigers’.

Corporaties nemen voor een belangrijk deel die huisvesting voor hun rekening. Particuliere huiseigenaren spelen nauwelijks een rol, geeft meer dan de helft van de ondervraagde corporaties aan.

Een kwart van de corporaties meldt in de enquêtes ook dat de gemeente geen enkele actieve betrokkenheid toont bij de huisvesting van vluchtelingen. Een corporatie merkt op: „Er zijn gemeenten die er geen gevoel van urgentie bij hebben, het onderling oneens zijn of de kosten volledig afwentelen op de corporaties.”

Ook het COA, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, zou niet altijd meewerken. Zo komt het geregeld voor dat er woonruimte beschikbaar is, maar dat het COA er niet in slaagt om de formaliteiten voor de vluchteling op tijd af te ronden. „Het zou voor de hand liggen om die woning dan toe te wijzen aan een vluchteling van wie de papieren wel op orde zijn. Dat is praktisch ook mogelijk, maar het gebeurt nooit,” meldt een corporatie.

Het aanbod van minister Stef Blok (Wonen, VVD), eind vorig jaar, om 102 Rijksgebouwen - panden, uiteenlopend van gevangenissen en kazernes tot het voormalige ministerie van Sociale Zaken - beschikbaar te stellen voor vluchtelingen, zet weinig zoden aan de dijk. Het merendeel van die gebouwen blijkt inmiddels niet geschikt voor huisvesting van vluchtelingen. Tachtig panden zijn afgevallen.

Bijna de helft van de ondervraagde corporaties signaleert onder bewoners afkalvend draagvlak voor huisvesting van statushouders, vanwege het gevoel van ‘verdringing’. Bovendien voelen huurders zich minder veilig en vinden ze dat vluchtelingen te weinig begeleiding krijgen.

Zoekduur

Het is nu niet zichtbaar hoe groot de verdringing op de sociale woningmarkt is als gevolg van de instroom van vluchtelingen. Landelijke cijfers over het aantal woningzoekenden en de wachttijden zijn er niet, zo schreef Blok vorige maand aan de Tweede Kamer. Formeel staan bijvoorbeeld woningzoekenden in Groningen 3,5 jaar ingeschreven. In Utrecht is dat 7,4 jaar. Maar de concrete zoekduur is veel korter: 1,9 jaar in Groningen en 3,6 jaar in Utrecht. In Amsterdam, Rotterdam en Utrecht stonden in 2013 587.000 woningzoekenden ingeschreven. Maar een meerderheid daarvan, 65 procent, reageerde in dat jaar niet op woningaanbiedingen.

Een aantal corporaties wil de komende jaren extra bouwen voor de huisvesting van in totaal 14.600 statushouders. Daarbij gaat het niet om reguliere woningen, maar bijvoorbeeld om tijdelijke mobiele woningen en het verbouwen van bedrijfs- of kantoorgebouwen. Dat is mede mogelijk omdat een aantal gemeenten goedkoop grond ter beschikking stelt of onrendabele projecten financieel ondersteunt.