Hoe kies je de juiste studie?

Onderwijs

Scholen moeten hun leerlingen beter voorlichten over studiekeuze. VVD, PvdA en CDA hebben daarvoor een plan gemaakt.

Ton van Vliet/Hollandse Hoogte

Welke van de veertig economische richtingen in het hbo moet je nu gaan studeren? Of kan je beter archeologie kiezen? Maar krijg je daar wel een baan mee?

Middelbare scholen en het hoger onderwijs zijn al sinds 2014 verplicht om scholieren over studievoorlichting en baankansen in te lichten. Maar sommige scholen, hogescholen en universiteiten doen er nog steeds te weinig aan.

Dinsdag stelden Kamerleden Duisenberg (VVD), Mohandis (PvdA) en Rog (CDA) een tienpuntenplan op met minimumeisen voor goede studievoorlichting. In samenwerking met het Interstedelijk StudentenOverleg, de scholierenorganisatie LAKS en de club voor schooldecanen.

Ze willen landelijke eisen aan loopbaanbegeleiding op middelbare scholen. Universiteiten en hogescholen kunnen dan niet langer alleen reclame maken, maar moeten ook de bijsluiter van de onderzoekssite studiekeuze123 duidelijk adverteren, als de arbeidsmarkt slecht is.

Studenten oriënteren zich al beter nu ze zich vóór 1 mei moeten inschrijven. Het aantal uitvallers in het eerste studiejaar daalde volgens Researchned in het vorige studiejaar met een derde. Bij de universiteit valt bijna een kwart in het eerste jaar uit, bij de hogeschool is dat nog meer dan een derde. Hoe hoger het onderwijs, des te minder uitval. Studenten die van het mbo komen, vallen het meeste uit, daarna die van de havo. Ze vinden ook vaker dat hun vooropleiding niet goed aansluit bij de studie.

Formules bij Future Planet Studies?!

Veel opleidingen doen er nog niet veel aan, maar de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit Utrecht hebben dagprogramma’s met colleges en zelfstudie voor scholieren. Dan wordt gekeken door middel van een proeftoets of de student de juiste keuze heeft gemaakt, de wettelijk verplichte matching. Beide universiteiten hebben een aparte dean voor toelatingen en in Amsterdam is dat hoogleraar internationaal vluchtelingenrecht, Marjoleine Zieck.

De proefcolleges in Amsterdam zijn realistisch. Zodat studenten een goed beeld krijgen. Zo werd bijvoorbeeld bij kandidaten voor future planet studies uitgelegd hoe veen in bruinkool en steenkool verandert. Dat eindigde in een scheikundige formule. Een golf van verbazing in de hele zaal: ze hadden nooit verwacht dat ze met formules zouden moeten gaan rekenen in deze studie. „We kunnen ze ook bijspijkeren”, zegt Zieck, maar sommige vallen na zo’n proefcollege af. En als een studie niet bij ze past, is dat ook de bedoeling.

Aan de universiteit Utrecht is sinds het nieuwe test-studeren bij opleidingen waar de studenten moeten matchen het aantal uitvallers in het eerste jaar gedaald van 31 naar 23 procent. „De studenten vinden het prettig. Ze zien het niet als een verplichting”, zegt Leoniek Wijngaards-De Meij, universitair hoofddocent aan de afdeling methoden en technieken van de Faculteit Sociale Wetenschappen. Zij doet onderzoek naar het effect van het Utrechtse ‘matching-programma’.

De opleidingen verschillen, dus ook de studiekeuzechecks. „Sommige instellingen in het hoger onderwijs zeggen dat er bij hun niks verandert. Maar wat hebben ze dan gedaan?”, zegt Wijngaards-De Meij. Ze zou overigens ook niet willen dat door het tienpuntenplan een vast formaat van voorlichting zou ontstaan; elke studie is anders.

De universiteiten en hogescholen moeten van elkaars ervaringen leren. Daar kan een expertisecentrum bij helpen. De regels moeten niet te strak worden, om er geen overbodige taken en kosten bij te laten komen. Niet iedere scholier heeft een persoonlijk advies nodig, volgens Wijngaards, zeker niet als de proefcolleges en toetsen goed gaan, maar er moet wel een recht op persoonlijk advies zijn. Jan Sinnige van het Interstedelijk Studentenoverleg ziet wel graag een verplicht persoonlijk advies. Dan had hij vroeger misschien wel niet één jaar voor niets rechten gestudeerd.

Leraar biologie Peter Huwae is tevens beleidsmedewerker voor het schooldecanaat bij de decanenvereniging NVS-NVL. Scholen kunnen volgens hem nu al kijken hoe hun leerlingen het in het vervolgonderwijs doen. Die cijfers zijn bekend, dus ze zouden op grond daarvan hun begeleiding van de leerlingen kunnen verbeteren.

„De slagingspercentages in het eerste jaar bij het vervolgonderwijs liggen tussen de 60 en 95 procent’’, zegt hij. Huwae herinnert zich op zijn school in Almere een meisje dat twijfelde tussen het afmaken van de havo in Almere of een mbo voor kleding in Amsterdam, wat de ouders te ver vonden. Hij vroeg wat ze zou doen als de mbo naast de deur lag. „Het mbo”, zei ze. Dat werd het, met succes.