Recensie

Het morele geweten van de wereld

Elie Wiesel (1928-2016)

Als Holocaust-overlevende legde Wiesel getuigenis van de wreedheden van de nazi’s.

Foto Sven Nackstrand

Als iemand iets van de mens in al zijn facetten begreep, dan was het Elie Wiesel, de Amerikaans-Joodse schrijver die zaterdag op 87-jarige leeftijd in Boston overleed.

Als enige van zijn familie overleefde hij de Holocaust. De rest van zijn leven zou hij van die verschrikkelijke ervaring getuigen, als schrijver, als hoogleraar menswetenschappen in Boston en, van 1978 tot 1986, als hoofd van de Amerikaanse Presidentiële Commissie voor de Holocaust. Voor zijn inspanningen kreeg hij in 1986 de Nobelprijs voor de Vrede. Daarna manifesteerde hij zich vooral als een activist, die via de Elie Wiesel Foundation for Humanity wereldwijd streed tegen onverschilligheid, onrecht en onverdraagzaamheid. Zodra er sprake was van onrecht of antisemitisme klom hij op de barricaden. Op die manier werd hij een moreel geweten van de wereld.

In zijn literaire werk ging het Wiesel erom de herinnering aan de massamoord op de Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog levend te houden, zodat de doden niet zouden worden vergeten en de wereld zou beseffen tot wat voor een wreedheden de mens in staat is. Over dat thema schreef hij bijna zestig boeken, romans, essays en memoires, waarvan het laatste, Open hart (2011), onlangs in Nederlandse vertaling verscheen.

Wiesel werd geboren in het Roemeense Sighet in een orthodox-Joods gezin van Hongaarse afkomst. Zijn vader had een kruidenierswinkel. Sighet werd in 1940 geannexeerd door Hongarije. Vier jaar later werden de Hongaarse Joden naar de nazi-concentratiekampen gedeporteerd. Wiesel kwam met zijn vader, moeder en drie zussen in Auschwitz terecht. Bij aankomst was hij er getuige van dat zijn moeder en jongste zus meteen naar de gaskamers werden gestuurd. Zelf ontkwam hij aan dat lot, omdat hij samen met zijn vader in het werkkamp Auschwitz III Monowitz belandde, waar ook de Italiaanse schrijver Primo Levi zat.

Tegen het einde van de oorlog werd Wiesel in een zogenoemde ‘dodenmars’ naar Buchenwald gedeporteerd, omdat de nazi’s alle sporen van hun misdaden wilden uitwissen. Daar zag hij hoe zijn uitgeputte vader stierf na te zijn mishandeld door een SS'er. Samen met twee van zijn zussen overleefde hij de oorlog.

Na de Tweede Wereldoorlog belandde Wiesel in Frankrijk, waar hij aan de Sorbonne studeerde en J.P. Sartre ontmoette. Daarna ging hij voor Franse en Israëlische kranten schrijven. Als journalist ontmoette hij de katholieke Nobelprijswinnaar voor Literatuur François Mauriac, die hem aanmoedigde zijn Holocaust-ervaringen op te schrijven om op die manier de wereld een geweten te geven. Het leidde in 1956 tot zijn eerste, autobiografische, roman, in het Jiddisj, Un di velt hot geshvign (En de wereld heeft gezwegen). Hierin vraagt hij zich af waarom de geallieerden niets deden om de treinen naar de concentratiekampen te stoppen en waarom rijke Amerikaanse Joden zich niet meer hadden ingezet voor de vervolgde Joden in Europa.

Twee jaar later volgde de bewerkte versie ervan in het Frans onder de titel La nuit (Nacht). Het boek verkocht aanvankelijk slecht, maar van de Engelse vertaling uit 1960 zouden uiteindelijk meer dan zes miljoen exemplaren worden verkocht. In zijn tweedelige memoires: Alle rivieren stromen naar zee en De zee raakt nooit vol legt hij nogmaals getuigenis af van zijn leven .

In 1955 emigreerde Wiesel naar de Verenigde Staten, waar hij in 1963 het Amerikaanse staatsburgerschap kreeg en college gaf over jodendom en humanisme. Hij trouwde er met een mede-overlevende van de Holocaust, met wie hij een zoon kreeg. Als voorzitter van de Presidentiële Commissie voor de Holocaust gaf hij leiding aan de bouw van het United States Holocaust Memorial Museum.

Een informeel aanbod in 2006 om president van Israël te worden sloeg Wiesel af. Liever wilde hij schrijven. En dat was nooit genoeg. Zo lees je in Open hart: ‘Ik heb veel geschreven, en toch, ja toch heb ik op dit moment in mijn bestaan, op de drempel van de hemelpoort, het gevoel dat ik eigenlijk nog niet eens ben begonnen.’