Hans vertrouwt nu volledig op anderen

Hans Goebertus heeft alzheimer. Het afgelopen jaar vertelde hij in NRC over zijn ziekte. Een terugblik vanaf de fiets in Limburg. „Iedereen zorgt voor Hans. Bijna ongemerkt, maar heel intens.”

Hans Goebertus (met fietshelm) tijdens de fietstocht op het drielandenpunt bij Vaals. Foto’s Ilvy Njiokiktjien

De roldeur van een garage in Zuid-Limburg piept omhoog; 07.45 uur in Born. Rijen fietsen, modder op de flanken. Hans Goebertus tikt met zijn voet tegen een van de wielen. Zijn vriend Nico geeft hem een fietshelm. Hans zet het ding achterstevoren op zijn hoofd. „Ach... Ondingen zijn het ook”, zegt Nico. „Ik leer het nog wel”, zegt Hans. Ze lachen zachtjes.

Een jaar geleden ontmoetten we Hans Goebertus (68), thuis in Amsterdam. Met een groep vrienden was hij net terug van een fietstocht naar Portugal. Samen met zijn vrouw Ria en hun beste vrienden wilde Hans best vertellen over de ziekte die drie jaar geleden bij hem werd gevonden – alzheimer. Zijn geheugen ging toen al achteruit. Hij kon steeds minder zien, omdat ook het deel van de hersenen dat zijn ogen aanstuurt dienst weigert.

Hans en Ria lieten zien dat alzheimer grote sociale gevolgen heeft. Dat Hans nog veel kan, maar steeds minder zonder hulp. Koken zonder steun van dochter Loes is bijna onmogelijk. Boodschappen doen ook. Tv kijken kan niet meer, een wandeling door zijn stad is een bijna onmogelijk avontuur. Toen Hans laatst met de trein wilde, raakte hij de weg kwijt, omdat hij trek kreeg in een koek en een hoekje omsloeg om er een te kopen. „Het is een plasje hersenen in mijn hoofd”, zei Hans een jaar geleden al.

Hier in Limburg blikken Hans en zijn vrienden terug op het jaar dat NRC hem volgde. Voorzichtig kijken ze ook vooruit. Zijn vrienden hopen dat de achteruitgang niet te snel zal gaan. Dat ze nóg zo’n fietstocht kunnen maken. Zoals ze dat nu, een jaar na Portugal, weer doen. Deze reis gaat door de Benelux. Van Amsterdam, via de Waddeneilanden, naar Limburg. Straks door België en Luxemburg, dan weer naar huis. ‘Grenzen opzoeken’, hebben ze de reis gedoopt.

Zonnebrand

Op een kei liggen stukken boterkoek en kokosmakronen. Gerard en Onno zijn bij de bezemwagen in de weer met koffie. De groep bevindt zich ergens in de bossen, op de weg tussen Born en Terschuren. Onno is een nieuweling in de vriendenclub. Hij was timmerman in de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt, waar de basis ligt van de groep. Veel van hen klusten er in de jaren zeventig en tachtig aan vervallen panden. Hans was verwarmingsmonteur, zijn vrouw Ria architect. Onno kwam ze weleens tegen op feestjes. Hans was er de grote gangmaker. Onno: „Ik ben hier eigenlijk invaller, sta iets verder van deze vriendengroep. Wat me opvalt is de enorme warmte. Iedereen zorgt voor Hans. Bijna ongemerkt, maar heel intens.”

Gerard, die vanwege een blessure niet meefietst, krijgt een sms’je van Ria. Zij is thuis in Amsterdam. De eerste week was ze erbij. „Zwaar”, mailde ze toen. Ze bedoelde: fysiek. Maar even alleen thuis zijn, geeft haar ook rust. Ze laat Gerard weten dat Hans geen zonnebrand meer heeft; die zit nog in haar tas. „Gaan we straks meteen kopen, Onno”, roept Gerard over zijn schouder. Samen verzorgen de mannen tussendoortjes, de lunch en reparaties aan de fietsen. Als de groep op de rustplek arriveert, duikt Hans meteen de camper in om een jas te pakken. De vrienden komen rond de kei zitten.

Agaath: „Er zijn wel verschillen met een jaar geleden. Hans zit niet meer vooraan bij het fietsen, hij moet ’s ochtends ook langer op gang komen.” „Hans wordt krakkemikkiger. Lopen gaat stroef, opstappen en afstappen ook. Verkeerslichten zijn lastig voor hem”, vertelt Jan. Nico: „Als er plotseling een kuil in de weg zit, kan hij niet op tijd uitwijken.” Lyda: „Dat klopt wel, maar het is in Nederland ook drukker op de weg dan in Portugal. Dat kan er ook mee te maken hebben. Of gaat het echt zoveel slechter met hem?”

Ongemakkelijk

De vrienden leggen flinke afstanden af. Deze dag 96 kilometer, met behoorlijk wat heuvels. Slapen doen ze in bed and breakfasts, of bij mensen die hun huis verhuren via ‘Vrienden op de Fiets’. Meestal is de ontvangst heel warm. Het werd eigenlijk maar één keer ongemakkelijk. Dat was bij een ouder echtpaar. Toen ze hoorden over de ziekte, zeiden ze: „Iedereen heeft wel wat.” Toen moest Hans even verduidelijken: „Néé, dit hoor ik niet te hebben.”

Aan de rand van de groene vallei vliegen al snel de anekdotes over en weer. „Gerard, vertel eens over die boer!” Gerard gaat staan, met een grijns. Hij vertelt hoe hij op een dag de bus parkeerde naast een weiland. Kwam meteen een boer aan, nogal boos. „Wat moet dat hier?” Gerard: „De Tour de Hans komt zo langs.” Hij vertelde het verhaal over Hans, zijn ziekte, de vriendenclub. De boer stommelde weg. Even later reed een vorkheftruck voor, met een grote picknicktafel op de laadklep: „Zo. Kunnen jullie hier lekker lunchen.”

Hans: „En heb ik al verteld van die twee mooie kaartjes?” Dat was in Noord-Nederland. Hans had de gastheer verteld over zijn ziekte. De volgende ochtend stonden kleine briefjes op de ontbijtborden. Bij Hans: „Geluk is... om mensen aan je zijde te hebben die je accepteren zoals je bent.” Bij Ria: „Laat los wat voorbij is, wees dankbaar voor wat overblijft en kijk uit naar wat komen gaat.” Er valt een stilte. Hans kijkt naar zijn handen.

Dan springt Hans op, stapt op zijn fiets. Kom op, zegt hij, we gáán.

Verveling

Ria mailde dat ze met Hans was gaan kennismaken bij een locatie voor dagbesteding. Dat advies kregen ze van hun ‘casemanager dementie’, die hen sinds een paar weken begeleidt. Dagbesteding is een optie als de dagen korter worden en de wereld voor Hans kleiner. Verveling was dit jaar zijn grootste vijand. Zeker op donkere dagen kwam hij het huis nauwelijks uit.

Tijdens het allereerste gesprek, wilde Hans nog niets weten van dagbesteding. „Dan ben je echt...” Die zin wilde hij niet eens afmaken. Het is nog altijd een lastig onderwerp. Hans wuift het even later weer weg. Ria mailde al: „Hans overweegt daar wel af en toe heen te gaan, maar pas na de zomer.”

Liever praat Hans over de Portugese man op het vliegveld van Faro, die hem assisteerde toen hij even geleden terugvloog naar Schiphol. Tijdens de reis daarvoor bleek dat echt zelfstandig vliegen eigenlijk niet meer verantwoord is.

Zijn verlies aan mobiliteit vindt Hans de belangrijkste verandering dit jaar. Maar dat is dus op te lossen, vertelt hij. „Er kwam een Portugees, die nam me overal mee naartoe. Daarna zetten ze me in de vliegtuigstoel, en op Schiphol wisten ze ook dat ik hulp nodig had. Ze brachten me tot aan de uitgang, waar Ria stond te wachten.”

Hans schenkt sinas over zijn been. Dept het droog met een servetje. Kijkt even op. „Ik zie dat niet meer. Het is moeilijk in te schatten. Gelukkig pas ik me snel aan. Dat moet ook wel, anders maak ik mezelf gek. En ik accepteer best makkelijk hulp. Alleen, heel soms voel ik mezelf in een gat vallen. Het heeft me veel moeite gekost om te accepteren dat de dag langer lijkt te duren dan normaal. Dat gaat nu ietsje beter.”

Bij de volgende tussenstop geeft Gerard een fles zonnebrand aan. Hans smeert het op zijn hoofd, zijn gezicht, in zijn oren en neus. Béétje veel, lacht hij. Een groepje loopt even een rondje. Lyda blijft zitten. Ze was er in februari bij, toen Hans met zijn koor zong in Friesland. Lyda kreeg tranen in haar ogen toen Hans even haperde, maar daarna met bravoure zijn solo zong.

Op dat podium zag ze, eventjes, zijn worsteling. Tijdens de fietstocht komt het ook voor. Niet vaak, want Hans is een positief mens, maar er zijn van die kleine momenten. Zoals die keer dat de groep wilde oversteken. Lyda fietste naast Hans. „Ik keek naar links, dat was vrij. Rechts ook. Dus ik zeg: ga maar. Toen kwam van rechts ineens een auto.” Lyda trok Hans aan zijn mouw, hard. Hij schrok en reageerde boos: „Je zei dat ik kón.” Lyda: „Het is voor Hans nog steeds soms moeilijk om zich aan te passen. Hij moet volledig vertrouwen op anderen.”

Omhoog

De middag is al gevorderd als de groep naar het Drielandenpunt wil. Negen vrienden aan de voet van de klim. De weg is vol kuilen en gaten. Ze moeten omhoog, maar het pad is grillig. Verbeten zetten ze zich aan de tocht. Lichte versnelling en doortrappen. Iemand waarschuwt voor een grote modderplas. Hans rijdt er recht doorheen, bruine vlekken spatten op zijn sandalen, broek en blote benen. Een fietsband scheurt. Vallen, opstaan, doorgaan. Daar is de top.

Nog even.