Frankrijk maakt einde aan mythische krachttoer IJsland

De kleinste deelnemer aan een EK ooit dwong respect af met een zelfverzekerd optreden. Maar de kwartfinale was het eindstation voor IJsland.

De mythe is doorbroken en de rust zal wederkeren op een eiland waar bewoners vreesden dat voetbalsucces voor nog meer toeristen zal zorgen. Waar voetbalbestuurders het beu werden om te vertellen dat de unieke prestaties niet voortkwamen uit toeval, maar uitgekiend beleid. Zeker, IJsland maakte buitengewoon grote stappen, maar het was onvoldoende om op een eerste EK een kwartfinale te overleven. Frankrijk was veel te sterk (5-2).

In het Stade de France werden de Scandinaviërs hardhandig uit hun droom geholpen. Niet alleen omdat ze binnen twintig minuten met 2-0 achter stonden, ook omdat ze zo weinig grip hadden dat een gelijkspel meteen onhaalbaar bleek. Hoe de Fransman Paul Pogba bij zijn rake kopbal uittorende boven een kluwen van IJslanders; machtsvertoon ten top. De tweede klap op weg naar een Franse triomf die tien minuten eerder was ingeleid door Olivier Giroud, wiens droge knal de wedstrijd direct van spanning ontdeed.

Het beeld daarna: alle elf IJslanders op eigen helft, tegenover Fransen die zich speels door die teruggetrokken linies heen voetbalden. Soms kalm, dan weer snel, uiterst zelfverzekerd en bij vlagen onnavolgbaar wanneer spelers als Dimitri Payet, Antoine Griezmann en Paul Pogba de bal beroerden. Goals, goals, goals. Van 1-0 naar 4-0, in één helft.

Zo verzorgde het gastland een masterclass die het einde betekende van de mythe IJsland. Dat kleine lieflijke voetballand. Groot geworden tussen geisers en vulkanen, met de aanleg van voetbalhallen tegen het gure weer, in vaart opgeleide trainers en met spelers die inmiddels allemaal overzee spelen voor een uitstekend salaris. Niet één uitgezonderd.

Delicatessen uit IJsland

Hoewel dat in een notendop het verhaal is achter de opmars, bleek ook op dit EK hoe moeilijk het voor IJsland is om af te rekenen met het hardnekkige beeld dat elders van het eiland bestaat. Mooi voorbeeld waren de tweets van de IJslandse schrijver Dagur Hjartarson, over de roots van de spelers. „Middenvelder Bjarnason speelt geen voetbal in juni en juli om zijn vader te assisteren op de boerderij”, schreef hij boven een foto van enkele huisjes in niemandsland. Boven een plaatje van een ondergesneeuwd tankstation: „Spits Bödvarsson werkt hier in de winter, maar speelt zomers voetbal.”

Pure satire. Bedoeld als protest tegen de steeds terugkerende clichés die door het onverwachte succes de wereld overgingen. Maar dat het niettemin geloofwaardig klonk en er zelfs een Vlaamse krant was die de tweets afdrukte, zei veel over waar IJsland als voetballand vandaan komt.

De tweets deden denken aan de vorige decennia waarin voetbal op IJsland geen topsport was. Oud-internationals beschouwden interlandvoetbal als vakantie. Logeren in dure hotels en drie keer per dag snoepen van een buffet met IJslandse delicatessen. Tong, ogen en kloten van schapen, gecombineerd met zoete aardappel; geen topsportmaaltijd. Veelzeggend is het feit dat IJsland het eerste land ter wereld is waar een vader en zoon ooit in dezelfde officiële interland speelden. Achttien jaar leeftijdsverschil ten spijt.

In dat opzicht is het geen verrassing dat het kleinste land dat ooit deelnam aan een EK of WK, is gestrand in de kwartfinale. Zelfs Trinidad & Tobago, dat in 2006 verrassend deelnam aan het WK, is met 1,2 miljoen inwoners groter. Gelet op het aantal mannen tussen de 20 en 40 in IJsland, zo’n 50.000, maakte 1 op de 2.000 kans op selectie. De kans van Franse mannen in die categorie? 1 op 348.000.

Bakkers en docenten

Doorslaggevend hoeven die statistieken niet te zijn. De zege op Engeland in de achtste finale vormde het bewijs. Maar tegelijk verklaren die verhoudingen ook waarom de IJslanders dit EK niet almaar konden blijven pieken tegen landen die al wereldkampioen werden in een tijd dat zij nog aantraden met bakkers en docenten.

Daarbij bleek Frankrijk in topvorm. Maker van de 3-0 Dimitri Payet toonde zich een technicus in vorm, terwijl Antoine Griezmann al even veel indrukte maakte met een lob die leidde tot de 4-0. Tikkeltje vernederend, maar een streling voor het oog.

Zo naderde het einde van een sprookjesachtige vertelling waar het publiek de voorbije weken graag naar luisterde. Sympathiek volk, die IJslanders, met hun rituele Hakadans, waaraan zondag zelfs door Franse fans werd meegedaan, misschien wel uit respect voor de knappe prestaties van hun opponent. Wie dapper boven zichzelf uitstijgt op zijn eerste EK, raakt vanzelf geliefd.

Spits Alfred Finnbogason zei het zondag in simpele, rake bewoordingen: „We kunnen niet bitter zijn.”