Recensie

Druk druk druk? Ga in een doodskist liggen

Terwijl de laatste kwartfinale op het EK voetbal begon, ging in een nondescript Zuid-Koreaans zaaltje het deksel op de doodskist van Stine Jensen. De filosofe kwam daar te liggen nadat zij zich drie kwartier eerder afvroeg welke rol onze agenda in ons leven speelt, in Dus ik ben (HUMAN).

Jensen houdt van lijstjes, planningen, van „het opruimen van de tijd”. Maar als je zo leeft, wat ís het leven dan? „Geboren worden en een to-do-lijst afwerken?” Ik plan, dus ik ben?

Ze gaat op speurtocht naar Zuid-Korea, om te zien wat er gebeurt als het nog veel erger is. Efficiëntie is daar heiliger dan Boeddha en niemand vermorst nog een momentje. Misschien ons voorland, suggereert Jensen. Of zíjn wij al slaven van onze agenda’s? En: is dat erg?

Het huidige seizoen van Dus ik ben zou best eens kunnen uitpakken als het meest toegankelijke tot dusverre. Er staan nu geen grote filosofen centraal, geen abstracties, het woord filosofie valt nauwelijks. Het draait om alledaagse kwesties die opkomen bij iedereen die wel eens mijmert. Of laten we zeggen: iedere hoogopgeleide, gezonde deelnemer aan de arbeidsmarkt, die hier ook soms over babbelt met vrienden, of een zelfhulpboek leest.

Daarin schuilt zowel de kracht als de zwakte van deze reeks. Het is laagdrempelig, maar tuint daarom nogal eens in de val van het standaard anti-betoog. Het meeste wat in een zelfhulpboek staat over een onderwerp als ‘druk zijn’, brengt Jensen alsof het diepe inzichten betreft. Maar iets nieuws, tegendraads hoor je niet: ja, druk zijn is erg, want toeval brengt plezier, verrassing, creativiteit. Dat gaat vast in veel gevallen op, maar het is wel erg klinkklaar.

De praktijk, de verhalen waarmee Jensen haar gesproken essay lardeert, maakt de theorie meteen weerbarstiger, en zo wordt het geen saaie televisie. Ze interviewt een jonge Zuid-Koreaanse dichteres, die leuk dwars schrijft dat ze haar moeder in stukjes snijdt en opeet als ze weer naar de naschool moet. Maar tegelijk antwoordde ze dat ze „keihard” haar best zal doen om „een welbesteed leven” te leiden.

En Jensen gaat dus op ‘sterfcursus’, waarbij ze afscheidsbrieven moet schrijven en in een doodskist moet gaan liggen, die dichtgaat. De cursusleider zegt door de microfoon: „Je bent nu dood. Van welke dingen heb je nu spijt?” Nogal wiedes dat je daar gelouterd uitkomt: daarvoor doe je het. Zoiets zou Jensen toch moeten doorzien. Maar ze raakt waarlijk geëmotioneerd.

Dat wijst je als kijker erop dat het iets persoonlijks is. Het programma laat zien dat het erom draait hóe je aan het nadenken gebracht wordt, niet per se welke gedachte je dat oplevert. Eigenlijk zoals de aloude tegeltjesfilosofie: het gaat niet om het doel, maar om de weg ernaartoe.

Wat betreft die weg ernaartoe nog even praktisch: Dus ik ben wordt op zondagavond uitgezonden vlak na het achtuurjournaal, veertig minuutjes filosoferen, en je kunt erna meteen door naar het voetbal. Voor in de agenda dus.