Weg uit de CityMaar waar naartoe?

De Londense City verlaten is voor internationale banken een serieuze optie als de Brexit definitief doorgaat. Maar kunnen ze wel om de City als financieel centrum heen? En welke Europese stad is het beste alternatief voor Londen?

Wie in de weken voor het Britse referendum aan advocaten van banken vroeg of hun cliënten vertrekscenario’s hadden klaarliggen, kreeg geen of een ontwijkend antwoord. Nu blijkt dat banken al sinds de aankondiging van het referendum plannen aan het maken waren voor het geval de Britten zichzelf uit de Europese Unie zouden stemmen. Juridisch adviseurs draaien inmiddels overuren om hun klanten te informeren over de verschillende manieren waarop het Verenigd Koninkrijk de EU kan verlaten. En over wat de gevolgen zijn van een verhuizing naar een andere vestigingsplaats.

Dat de ‘Brexit’ schade zal toebrengen aan de City als financieel hart van de wereld, daarover bestaat weinig twijfel meer. Dublin lijkt voorlopig de beste kaarten te hebben om zaken over te nemen. Amsterdam zet extra personeel in, maar de relatief strenge Nederlandse bonuswetgeving blijkt een handicap.

Advocaat Jurgen van der Meer heeft het over contingency plans, worst case scenarios en red flags. Het besluit van een bank om het hoofdkantoor te verplaatsen naar een andere EU-land heet bij hem een relocation. Van der Meer is partner bij de Amsterdamse vestiging van Clifford Chance, een van oorsprong Brits advocatenkantoor. Het kantoor heeft veel cliënten in de financiële sector. Van der Meer maakt deel uit van het internationale team dat banken in Londen adviseert over de gevolgen van de Brexit. Hij zegt: „Het is niet gezegd dat ze uiteindelijk allemaal uit Londen zullen vertrekken. Maar de komende twee jaar worden uiterst onzeker en banken zullen daar niet op willen wachten.”

Het verplaatsen van het hoofdkantoor van een bank kost volgens hem ongeveer twee jaar. „Op het moment dat duidelijk wordt welk vertrekscenario de Britten kiezen, zul je als bank je toekomstplan ten uitvoer moeten brengen.”

‘Passporting’ is volgens Van der Meer nu de belangrijkste kwestie voor banken in de City. Het is een gevolg van de vrijheid van dienstenverkeer. Als een bank in het ene EU-land een vergunning heeft om diensten aan te bieden, dan vertrouwt het andere EU-land erop dat de lokale toezichthouder zijn huiswerk gedaan heeft. Er hoeft daar dan niet opnieuw een vergunning aangevraagd te worden. Een paspoort dus om in alle landen van de Europese Unie als bank zaken te doen.

„Dat geldt voor het gehele pallet aan bancaire diensten”, zegt Van der Meer. „Spaargeld, hypotheken, leningen aan grote bedrijven, advies bij fusies en overnames, aandelenemissies, derivaten, betalingsverkeer, vermogensbeheer. En het is ook van toepassing op banken van buiten de EU. Als een Amerikaanse, Chinese of Zwitserse bank in het Verenigd Koninkrijk een vergunning heeft, kan die in de hele Unie diensten aanbieden. En dat paspoort wordt bij een Brexit dus ongeldig.”

De vraag die bedrijven – ook buiten de financiële sector – bezighoudt is hoe de Britten de EU zullen verlaten en welke ruimte de andere EU-landen het Verenigd Koninkrijk daarbij gunnen. Vier vertrekmodellen circuleren op dit moment. Voor de financiële sector zou volgens Van der Meer het Noorse model het meest gunstig zijn. Daarmee blijft het Verenigd Koninkrijk lid van de zogeheten Europese Economische Ruimte. „Maar dat betekent dat de Britten ook vrij personenverkeer moeten toestaan en immigratie uit Oost-Europese landen was bij de Brexit nu net een van de heikele politieke punten.”

Wanneer Engeland verder van de EU af komt te staan, kunnen banken in Londen ook nog altijd kiezen voor het zogeheten Third Country Regime, dat nu ook al geldt voor Zwitserse en Amerikaanse banken zonder Londense vestiging. Net als bij passporting mag dan de buitenlandse bank diensten in de EU aanbieden omdat het toezicht op de sector in het thuisland voldoende geacht wordt.

Een belangrijk verschil is echter volgens Van der Meer dat het slechts geldt voor een beperkt aantal diensten – bijvoorbeeld niet voor het aannemen van spaargeld en het uitvoeren van betalingsverkeer. En het kan op ieder moment door een lidstaat worden teruggedraaid. „Juridisch gezien valt uiteindelijk aan alles wel een mouw te passen”, zegt Van der Meer. „Maar 90 procent hangt af van de politieke wil van de EU.” En die lijkt er vooralsnog niet te zijn. In reactie op de hoge toon waarop het Verenigd Koninkrijk vorig jaar met de EU onderhandelde over de voortzetting van het lidmaatschap, worden na de onverwachte Brexit de messen aan de andere kant van het Kanaal geslepen.

Oproerkraaiers

Als het aan Duitse en Franse politici ligt moeten de Britten zo snel mogelijk hun keuze voor een Brexit ten uitvoer brengen. Al was het alleen maar om andere oproerkraaiers binnen de EU te laten zien dat de uitslag van een referendum niet vrijblijvend is. De financiële sector wordt daarbij niet gespaard. De Franse president François Hollande stelde deze week dat Britse banken zo snel mogelijk het recht zou moeten worden ontnomen om clearingtransacties – onderlinge garantstellingen tussen financiële partijen – in euro’s uit te voeren.

Bankiers in en rond de Londense City verwachten niet direct een exodus van hun werkgevers uit de Britse hoofdstad. „Er worden absoluut voorbereidingen getroffen om activiteiten te verhuizen”, weet een van hen, „maar die ook uitvoeren is een tweede.” De zakenbankiers vrezen vooralsnog vooral dat de onzekerheid rondom de Brexit een verlammende werking zal hebben op hun normaal gesproken dynamische leven. Volgens een Nederlandse oud-bankier met goede contacten in de wereld van de Londense zakenbanken zal er de komende tijd in Londen vooral defensief geopereerd worden. „Het is geen tijd voor grote beslissingen, het gaat nu vooral om lijfsbehoud.”

Als mogelijke concurrenten van Londen circuleerden aanvankelijk de namen van alle West-Europese hoofdsteden. Maar inmiddels vinden bankiers Parijs ‘te Frans’ en zijn Brussel en Luxemburg op financieel gebied ‘te klein’. Frankfurt lijkt een logische kandidaat, omdat de meeste grote internationale banken daar al een kantoor hebben. Maar deze stad is onder bankiers weer weinig populair.

Niet omdat de Europese bankentoezichthouder daar zit, maar volgens advocaat Van der Meer omdat de Angelsaksisch georiënteerde zakenbankiers bang zijn voor het Rijnlandse bestuursmodel. Zij zien dat vaak als stroperig. Minstens zo belangrijk is dat Duitsland een initiatief ondersteunt om een nieuwe Europese belasting op financiële transacties in te voeren.

De stad die het vaakst genoemd wordt als alternatief, is Dublin. Daar gelden deze laatste bezwaren niet, er is geen taalprobleem en Ierland kent nog altijdeen zeer aantrekkelijk belastingtarief voor bedrijven van slechts 12,5 procent.

De kansen van Amsterdam

Over de kansen van Amsterdam verschillen de meningen sterk. De fiscaal adviseurs van Deloitte bijvoorbeeld, die net als vele andere financieel-juridische dienstverleners direct na de Brexit bondige informatiebulletins samenstelden, prijzen Amsterdam expliciet aan als vestigingsplaats. De centrale geografische ligging, de goede IT-infrastructuur, het hoge opleidingsniveau en de relatief lage kosten van levensonderhoud worden als voordelen genoemd.

Het Amsterdamse stadsbestuur heeft vrijwel direct gereageerd op de uitkomst van het Britse referendum. Afgelopen dinsdag ontving burgemeester Eberhard van der Laan in zijn ambtswoning een delegatie van belanghebbenden en vertegenwoordigers uit de financiële sector voor het uitwisselen van ideeën. Wethouder Kajsa Ollongren informeerde de volgende dag de gemeenteraad dat besloten was om Amsterdam Inbusiness, het zakelijke wervingsbureau van de hoofdstad, met één personeelslid uit te breiden. Het Londense kantoor van de Netherlands Foreign Investment Agency, onderdeel van het ministerie van Economische Zaken, krijgt twee man versterking.

Premier Rutte zei vrijdag na afloop van de ministerraad dat uitgebreide campagne om Nederland in Londen te promoten niet nodig is. „Ze kennen Nederland.”

Ook Robin Fransman is positief over Nederland als alternatief voor Londen. Hij was adjunct-directeur van Holland Financial Centre, tot drie jaar geleden een lobbyclub die zich inzette voor een sterke financiële sector in Nederland. Fransman ziet de kansen echter breder dan alleen de bancaire sector. Hij denkt bijvoorbeeld dat het onbestaanbaar is dat toezichthouders als de European Banking Authority en de European Medicines Agency in Londen kunnen blijven na de Brexit.

En hij verwacht dat hoofdkantoren van grote ondernemingen, ook Britse, het land zullen verlaten. „Neem Vodafone. Daar werken op het hoofdkantoor in Londen misschien wel vijftig nationaliteiten. Niemand die weet hoe de toekomst eruit ziet voor het Verenigd Koninkrijk, maar misschien krijg je wel enorm gedoe met verblijfs- en werkvergunningen. Ze gaan het risico echt niet nemen dat ze straks niet meer goed kunnen werken en dus nemen ze nu al maatregelen.”

Wat de banken betreft denkt hij overigens niet dat één stad als winnaar uit de bus zal komen. „De financiële sector kan beter niet te geconcentreerd zijn op één plek. Het is niet in hun belang als het gezien wordt als een Engels feestje. Je wilt belangrijk zijn voor Europa als geheel. Dus ga je het Engelse feestje niet vervangen door een Duits, Nederlands, Frans of Belgisch feestje. De banken zullen zich verspreiden over heel Europa.”

Onder de zakenbankiers zelf is de animo voor Nederland uitzonderlijk laag. Een invasie van zakenbankiers uit Londen hoeft Amsterdam dan ook niet te verwachten. Uit beleefdheid roemen bankiers graag de goede bereikbaarheid van Amsterdam en stelt een van hen dat „de Zuidas er goed bij ligt”. Maar de vorig jaar ingevoerde bonuswetgeving is hun een doorn in het oog.

Die beperkt bonussen in de financiële sector tot maximaal 20 procent van het salaris, waarmee Nederland tot de strengste landen van de EU behoort. Voor Chris Buijink, voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Banken, was dat een belangrijke reden zich afgelopen donderdag in EénVandaag niet al te hoopvol te tonen over de kansen voor Amsterdam. Premier Rutte zei vrijdag dat er „de nodige flexibiliteit” in de Nederlandse bonuswetgeving zit. „Lees die goed, zou ik adviseren. Er is enige ruimte voor niet-Nederlandse banken.”

Rode vlag

De bonusbeperking is echter niet de enige spelbreker. Volgens een aantal bankiers is Nederland onder leiding van minister Jeroen Dijsselbloem (Financiën, PvdA) strenger voor financiële instellingen dan andere EU-landen. Nederland stelt bijvoorbeeld extra eisen bovenop sommige Europese regelgeving, onder andere als het gaat om kapitaalbuffers. Of het nu gaat om die buffers, de bonussen, het toezicht in het algemeen of de openbaarmaking van de omstreden fiscale afspraken met grote ondernemingen, Nederland is in hun ogen steevast het braafste jongetje van de klas.

Ook over het vergunningenbeleid voor werknemers van buiten de EU zijn bankiers niet erg te spreken. Juist bij zakenbanken werken mensen in wisselende teams met een veelheid aan nationaliteiten. En Nederland staat, anders dan Londen tot nu toe, niet bekend als erg gemakkelijk bij het verstrekken van verblijfsvergunningen. Ten slotte wordt er juist nu door de regering gemorreld aan het bijzondere, lage inkomstenbelastingtarief van 30 procent voor expats.

Advocaat Jurgen van der Meer haast zich echter het beeld te nuanceren van de inhalige bankier, die het alleen maar om het geld te doen is: „Er zijn ook heel veel zaken die vóór Nederland pleiten, maar in de enorme hoeveelheid informatie die de bankiers over alle alternatieve steden krijgen voorgeschoteld, springt het bonusbeleid er wel uit. Het is een red flag.”