Vrome vervoering

Drugsgebruik is waarschijnlijk ooit begonnen als een religieuze praktijk. Nog steeds roepen sommige volken met hallucinogene planten een trance op om zo in contact te komen met voorouders of andere geesten.

Het is het eerste wat de jonge antropoloog Napoleon Chagnon ziet als hij in november 1964 kennismaakt met de Yanomamö, een indiaans volk in het grensgebied van Venezuela en Brazilië. In zijn memoires Noble Savages (2013) beschrijft hij hoe mannen elkaar door een buis groen poeder in de neusgaten blazen. Eerst krijgt de ontvanger waterige ogen en een hevig lopende neus – Chagnon: ‘Er hangen groene slijmdraden uit elk neusgat’ - vervolgens raakt hij in een trance en begint te zingen. Zo lokt hij de berg- en bosgeesten die zich aan hem vertonen zijn lichaam in, waar hij ze kan controleren. Hij stuurt hen vervolgens uit tegen vijanden of zegt hen een zieke verwant te genezen. Het groene snuifpoeder, ontdekte Chagnon, is gemalen zaad van de plant Justicia pectoralis. Die bevat natuurlijke tryptaminen, die inwerken op het centrale en perifere zenuwstelsel.

Het gebruik van ‘verdovende’ dan wel ‘geestverruimende’ middelen in de religieuze praktijk – de eredienst aan en bezinning op het hogere – is waarschijnlijk heel oud. Sommigen beweren zelfs dat de zo opgewekte trance de oervorm is van een religieuze ervaring. Toch staan de meeste Euraziatische religies – boeddhisme, christendom en islam - afwijzend tegenover iedere vorm van beneveling en wantrouwen ze trance-ervaringen.

De Yanomamö zijn niet de enige inheemse Amerikanen die religieuze ervaringen oproepen door gebruik van natuurlijke psychoactiva. De Huichol uit de westelijke Sierra Madre, in Centraal Mexico, hebben zich eeuwenlang verzet tegen kerstening door Spaanse en Mexicaanse missionarissen. Zij houden vast aan hun religie: verering van vooroudergeesten in de gedaanten van Hert, Vuur en andere wezens en elementen uit de natuur. Zij komen met hen in contact door het eten van peyote, knoppen van de bolvormige cactus Lophophora williamsii. Die bevat natuurlijke alkaloïden die bij inwendig gebruik leiden tot hallucinaties. De Amerikaanse antropoloog Peter T. Furst ging in de jaren zestig in de leer bij een brujo, een Huichol-genezer, en vergezelde hem op ‘peyote-jacht’, de jaarlijkse tocht naar het woestijngebied waar de cactus groeit en waar de knoppen worden verzameld.

Wortels, knoppen en zaden

In veel inheemse gemeenschappen van de Nieuwe Wereld is het gebruik van natuurlijke hallucinogene middelen, gewonnen uit wortels, knoppen, zaden en paddenstoelen, om zo in contact te komen met geesten of godheden, gemeengoed. Dit gebruik, zo blijkt uit het archeologische en historische archief, was al wijd verbreid in de complexe maatschappijen van Maya, Azteken en Inca. Na de Europese verovering hield het stand onder geïsoleerd levende indiaanse volken in de Andes, het Amazonebos en de bergen van Mexico. Overheden keurden dit af, maar verboden waren niet effectief door het isolement van de gebruikers.

Deze oude religieuze praktijk sloeg relatief laat over naar Noord-Amerika. De nomadenstammen van de Grote Vlakte deelden van oudsher een traditie: jongemannen gingen op zoek naar visioenen waarin geesten hun een levensweg wezen. De daarvoor nodige trance werd opgewekt door lang vasten, ver van de gemeenschap, en door zelfmutilatie tijdens het Zonnedansritueel. Toen de prairievolken aan het eind van de negentiende eeuw militair waren verslagen en waren ondergebracht in reservaten, verboden regeringsagenten en zendelingen visioenen zoeken buiten het reservaat. En de Zonnedans werd als ‘duivels’ in de ban gedaan.

Via de Apache van het zuidwesten, die generaties lang rooftochten hadden ondernomen in Mexico, kwamen de reservaatbewoners in aanraking met peyote. Die bood een alternatieve ingang naar de geestenwereld en rond 1900 werden nachtelijke peyote-sessies in de reservaten een religieuze rage. Ondanks verzet van overheden en kerkelijke autoriteiten werd in 1918 rond het ‘Peyote-Sacrament’ een heus kerkgenootschap gesticht, de Native American Church, die indiaanse tradities combineert met christelijke elementen.

De wetenschappelijke belangstelling voor het gebruik van natuurlijke psychoactiva bleef niet beperkt tot de antropologie. De Amerikaanse bioloog en Harvard-hoogleraar Richard Evans Schultes (1915-2001) legde de grondslag voor een nieuwe subdiscipline, etnobotanie, die inheemse kennis en gebruik van planten tot studieterrein koos. Schultes maakte reizen naar Mexico en het Amazonegebied en bevredigde zijn nieuwsgierigheid naar de hallucinogene werking van planten ook proefondervindelijk. Hij bleef daar overigens nuchter onder. Toen de romanschrijver William S. Burroughs tegen Schultes zijn visioenen onder invloed van ayahuasca uit de Amazone beschreef als een ‘schokkende metafysische ervaring’ reageerde die: „Dat is grappig, Bill, ik zag alleen kleuren.”

Sjamanen

De Oude Wereld is niet onbekend met religieus drugsgebruik. In de zestiende eeuw expandeerde het tsarenrijk oostwaarts en in de Siberische taiga stuitten Russen op de nomadische Toengoezen. Die kenden charismatische genezers, in hun taal sjaman. Deze mannen of vrouwen kregen in trance contact met geesten, die zij overreedden om ziekte of onheil af te wenden. Toengoezische sjamanen wekten trance op door aanhoudend trommelen en dansen, terwijl genezers elders in Siberië in trance raakten door het eten van de vliegenzwam (Amanita muscaria).

De Taiwanese botanicus Li Hui-Lin (1911-2002) schrijft dat in China het ‘benevelende effect van de hennepplant al bekend was in zeer oude tijden’. Volgens hem droegen sjamanen uit Noord-Oost Azië de medische en spirituele eigenschappen van cannabis over aan oude Chinese sjamanen, de wu. In vroege Chinese teksten wordt hennep genoemd als grondstof voor kleding, touw en ook voedsel, maar wordt met geen woord gerept over de psychoactieve werking. Dit is mogelijk te verklaren uit het misprijzen van Chinese geleerden tegenover inheems sjamanisme sinds keizer Wu van Han, die regeerde van 141 tot 87 voor Chr., het confucianisme tot staatsgodsdienst had verheven.

Afwijzend

Boeddhisme, christendom en islam, religies die zich in het kielzog van staatsvorming verspreidden in Eurazië en daar oudere religieuze tradities overvleugelden, staan over het algemeen afwijzend tegenover drugsgebruik, ook al is het ingegeven door spirituele motieven. Alleen in het hindoeïsme is er wat ruimte voor. Zo maken sadhu of ‘heilige mannen’ gebruik van cannabis om al mediterend in hogere sferen te komen. En op het feest van de god Shiva wordt in India en Nepal bhang gedronken, een drank op basis van gestampte cannabisknoppen.

Het Vijfde Voorschrift van het boeddhisme behelst onthouding van wijn, sterke drank en verdovende middelen omdat die de waakzaamheid en nuchterheid van de mens bedreigen. Visioenen onder invloed van drugs en ook dromen beschouwen boeddhisten als ‘illusies van de menselijke geest’, die de uiteindelijke verlossing in de weg staan. Bij een kleine minderheid, volgers van de Tantra, een Indiase traditie die ook invloed had in het hindoeïsme, is de leer van onthouding, nuchterheid en matigheid die het boeddhisme over het algemeen kenmerkt omgeslagen in zijn tegendeel: de verlossing wordt gezocht in seks en drugsgebruik.

Het joodse geloof kent geen algemeen verbod van drugs, zolang het gebruik ervan de vervulling van religieuze plichten niet in de weg staat en geen blijvende lichamelijke schade aanricht. Onder chassidische joden is het niet ongewoon om alcohol te gebruiken als spiritueel hulpmiddel, bijvoorbeeld bij studie van de Tora. En volgens de chassidische traditie ‘wekt koffie de ziel op tot aanbidding van God’, en zouden de Psalmen 42-43, Hoop op God, naar koffie verwijzen. Het Jiddische woord voor koffie, kave, klinkt namelijk als het Hebreeuwse woord voor ‘hoop’.

In de kabbalistiek, de mystieke traditie van het jodendom, vinden we enkele verwijzingen naar geestverruimende middelen. Zo noemt de middeleeuwse Spaanse mysticus Abraham Abulafia uit Zaragoza (1240 – c. 1291) het drinken van ‘de wijn van Avicenna’ een hulpmiddel bij ‘wijsgerige meditatie’. Het recept is niet bekend, maar de islamitische geleerde Avicenna (Ibn Sina uit Buchara) schreef uitvoerig over de effecten van opium en datura, een plant uit de nachtschadefamilie die rijk is aan alkaloïden.

De meest vergaande associatie van profetische vervoering met drugs is van Benny Shanon, hoogleraar cognitieve psychologie aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. In een artikel in het tijdschrift Time and Mind (1/2008) lanceerde hij de hypothese dat Mozes onder de invloed was van hallucinogene paddenstoelen uit de Sinaï toen hij de Tien Geboden ontving.

Het Nieuwe Testament bevat eigenlijk maar één tekst die je met een beetje goede wil zou kunnen lezen als een veroordeling van drugsgebruik: de scherpe brief die de apostel Paulus in 50 AD schreef aan de christenen van Galatië (nu Centraal-Turkije). In Galaten 5:19-22 lezen we: ‘Welnu, de werken van het vlees zijn bekend: ontucht, onreinheid en losbandigheid; afgoderij en toverij; vijandschap, twist, afgunst, gramschap, partijzucht, verdeeldheid, scheuring en nijd; dronkenschap, brasserij en dergelijke; en ik waarschuw u: […] wie zoiets doet, zal het koninkrijk Gods niet beërven.’ Wat de Statenvertaling ‘toverij ’noemt, is in het Griekse origineel pharmakeia, het gebruik of de toediening van ‘tovermiddelen’ dan wel ‘geneesmiddelen’ – het onderscheid was toen nog onduidelijk.

Calvinisten moeten er niets van hebben

De rationele draai die Paulus, onder invloed van de Griekse filosofie, gaf aan het jonge christendom is nog het meest zichtbaar bij de erfgenamen van de Reformatie. Hebben roomse en orthodoxe riten, met hun wierook en koorzang, nog iets bedwelmends, het protestantisme is wars van ieder effectbejag: gezongen wordt alleen in hele noten. Calvinistische theologen waarschuwen, in navolging van de profeet Jeremia, voor ‘valse dromen’. Zij beklemtonen dat ‘de Geest Gods vóór alles werkt door het geopenbaarde Woord’ - en niet in dromen en visioenen.

De abrahamitische religie die het meest gebeten is op iedere vorm van beneveling is de islam. Ook in de Koran is geen vermelding te vinden van cannabis, maar de meeste islamitische geleerden beschouwen marihuana en hasj als khamr (letterlijk: gefermenteerde drank, wijn; figuurlijk: een bedwelmend middel) en daarom als haram, verboden. In een overlevering over de handelingen van Mohammed staat: ‘Als een grote hoeveelheid bedwelmt, is ook een kleine hoeveelheid haram’.

Van de roemruchte Assassijnen, een sji’itische sekte die in de elfde eeuw actief was in het huidige Syrië en Iran, is wel gezegd dat hun Perzische voorman, Hassan al-Sabbah, zijn volgelingen hasjiesj toediende voor zij ten strijde trokken. Dit verhaal berust op kwaadsprekerij. Tegenstanders van de Assassijnen beweerden dat die naam was afgeleid van het Arabische hashshashin, wat ‘hasj-eters’ betekent en in het Midden-Oosten een scheldwoord is voor drugsverslaafden. In feite betekent hun naam ‘zij die trouw zijn aan de Asas’, dat wil zeggen aan de grondslagen van het geloof.