Voor God, koning en vaderland

Nu het lidmaatschap van een gilde niet meer overgaat van vader op zoon, dreigt het gildeleven uit te sterven. Noodgedwongen treden de gilden meer naar buiten. ‘Broederschap staat voorop.’

Door Esther Wittenberg Foto’s Jasper Juinen

Kringgildedag in Vlierden, begin juni. Volgens kringvoorzitter Henk de Hair (onder) moeten gilden „als missionarissen” op zoek naar nieuwe leden.

Drieëntwintig gilden staan naast elkaar klaar op het hoofdveld van de plaatselijke voetbalvereniging in het Noord-Brabantse dorpje Vlierden, nabij Helmond. Ze zijn zojuist in optocht door het dorp getrokken met vendels en trommen. De gildebroeders dragen kleding geïnspireerd op schilderijen van schuttersgilden uit de Gouden Eeuw, zoals De Nachtwacht. Pofbroeken, veren op hoeden, sjerpen om middels.

De opmars begint. Onder tromgeroffel loopt iedereen tegelijkertijd naar voren in de richting van het groepje hoogwaardigheidsbekleders op het podium. Daar staat onder anderen de voorzitter van gildekring Peelland, Henk de Hair (68). Vijf maanden eerder besloot De Hair aan tafel, bij hem thuis in Aarle-Rixtel, mee te werken aan een artikel over de toekomst van de gilden in Nederland. Voor hij zijn zorgen wilde uiten – dat deed hij pas bij de tweede ontmoeting – moest eerst duidelijk zijn wat gilden eigenlijk zijn, vond hij. De Hair zit ook in het bestuur van de Noord-Brabantse Federatie van Schuttersgilden en is hoofd van de federatieve commissie Jeugd. Sinds begin deze eeuw zet hij zich in voor het voortbestaan van het gildeleven. Voor zijn pensioen was hij directeur inwonerszaken bij de gemeente Laarbeek. Al 28 jaar is hij met hart en ziel gildebroeder bij het Sint-Margaretha gilde uit Aarle-Rixtel.

Als de trommen verstommen, neemt eerst burgemeester Mak het woord: „Het gaat op deze Kringgildedag om saamhorigheid en verbondenheid. (…) Jullie zijn het erfgoed van Brabant.” Het begint te regenen. Henk de Hair houdt het daarom kort. Ter afsluiting brult de speaker: „Voor God, koning en vaderland”. De wedstrijden vendelen, schieten, bazuin blazen en trommen kunnen beginnen. Maar nog even niet. Noodweer breekt los. Iedereen haast zich de feesttent in.

Landjuweel

Het Nederlandse gildeleven speelt zich vooral af in Noord-Brabant (206 gilden, met naar schatting 8.000 gildebroeders), Limburg (circa 176 gilden) en Gelderland (circa 56 gilden). Dat neemt niet weg dat er ook elders in het land hier en daar gilden zijn. In Amsterdam, bijvoorbeeld, is nog niet zo lang geleden een gilde heropgericht. In Soest huist het grootste gilde van Nederland. Ondanks zijn ligging in Utrecht, heeft het Soestse gilde ervoor gekozen te behoren tot de Noord-Brabantse Federatie voor Schuttersgilden. Het organiseert in 2017 een landjuweel, dertig jaar na het laatste grote schuttersfeest voor alle gilden van de federatie.

Gilden vinden hun oorsprong in de schuttersgilden die zijn opgericht in de tijd dat ridders op kruistocht gingen naar Jeruzalem. Henk de Hair: „De gewone man ontdekte dat hij zichzelf kon verdedigen tegen rondtrekkende roversbenden.” Gilden waren een soort burgerwacht die de plaatselijke bevolking en kerk beschermden. Het oudste gilde stamt uit de elfde eeuw.

Napoleon verbood de gilden en na de Napoleontische tijd werd in 1815 de staat Nederland opgericht, met een eigen leger en politiemacht, waardoor de gilden hun belang en invloed verloren. Gilden houden nooit op te bestaan, ze kunnen alleen slapend gemaakt worden. Dat gebeurde veelvuldig in die tijd. Maar in de katholieke provincies, waar het protestantse gezag van oudsher werd gewantrouwd, bleef een aantal gilden bestaan. Daar ontwikkelde het gildeleven zich op den duur tot cultuur en folklore.

Het vendelen – voorheen gebruikt om elkaar tijdens gevechten signalen te geven – werd een kunst waarbij een vendel volgens vaste patronen rond enkels, knieën of boven het hoofd werd gedraaid. Ook het trommen en bazuinblazen bleven enkel bestaan als vaardigheid waarin verschillende gilden met elkaar de competitie konden aangaan. Evenals het schieten. Met welk wapen gilden schieten verschilt.

Het gildeleven hangt aan elkaar van tradities. Het bonen, waarbij aan de hand van gekleurde bonen in bakjes wordt besloten of een aspirant- lid toegelaten wordt. Het koningsschieten, waarbij gildebroeders schieten op een houten vogel en de persoon die het laatste stukje wegschiet zich gildekoning mag noemen. De begrafenis van een gildebroeder, waarbij de kist wordt gedragen door een oneven aantal gildebroeders om duidelijk te maken dat er eentje ontbreekt. De Hair: „Gilden zijn aantrekkelijk voor mensen die geïnteresseerd zijn in de geschiedenis en met elkaar een eenheid willen vormen. Broederschap staat voorop.”

Na de Tweede Wereldoorlog vond onder invloed van hernieuwde vaderlandsliefde een kleine opleving in het gildeleven plaats. In de jaren vijftig en zestig lieten gildebroeders kleurrijke gildekostuums maken.

Vrouwen niet welkom

Tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw ging het gildebroederschap veelal als vanzelfsprekend over van vader op zoon.

„Er zijn heel wat gilden waar het jongste lid zestig is. Als die niets doen is het over vijftien jaar te laat.” Tijdens de tweede ontmoeting bij Henk de Hair thuis windt hij er geen doekjes meer om. Er moet iets gebeuren, vindt hij. „Anders is het aantal gilden in 2030 gehalveerd.”

Als het aan hem ligt, gaan gildebroeders „als missionarissen” op zoek naar nieuwe leden. Door presentaties te geven op basisscholen. Door zichtbaar te zijn op wezenlijke momenten in het gemeenschapsleven, zoals bij de dodenherdenking. Door te zoeken naar nieuwe manieren om de gemeenschap te dienen. „Ze kunnen bijvoorbeeld een boodschappenservice voor ouderen opzetten of aanbieden de opening van een nieuwe basisschool met een gildegroet op te luisteren.”

Het is volgens De Hair vooral de kunst om dertigers en veertigers binnen te halen omdat dat mensen zijn die zich settelen en dus blijven. In tegenstelling tot pubers. „Als die een vriendin krijgen die het gildekostuum lelijk vindt, is het gedaan.”

Ook is het tijd dat gilden zich bezinnen op een aantal van hun uitgangspunten. Zoals bijvoorbeeld het toelaten van vrouwen. Van oudsher zijn gildebroeders mannen, maar in de afgelopen halve eeuw heeft één op de drie gilden besloten ook vrouwen toe te laten. De Hair: „Mijn gilde laat nog altijd geen vrouwen toe. Tot groot ongenoegen van mijn vrouw. Ook ik ben voor toelating van vrouwen. Maar mijn gildebroeders zien geen reden om iets te veranderen. Ons gilde bloeit, zeggen ze.”

Op allerlei manieren probeert de Noord-Brabantse Federatie van Schuttersgilden gilden te stimuleren en te helpen bij het werven van nieuwe leden. Intussen regelt ze wel vast een depot waar de archieven, vaandel en schilden kunnen worden opgeslagen van gildes die het toch niet redden. Ze wil ook realistisch zijn.

We bezoeken een gilde dat bloeit en een gilde dat moeite heeft nieuwe leden te vinden. Henk de Hair zorgt voor de introductie want, zegt hij, „gilden zijn van oudsher nogal in zichzelf gekeerd.”

Hoofdman Hans van Someren (57) van het Sint-Hubertusgilde in Liessel ontvangt op een maandagmorgen in maart in het zelfgebouwde gildehuis. Dat is een eenvoudig bakstenen gebouw iets buiten het dorp met aanliggend een grasveld waarop geschoten en gevendeld kan worden. Hij zit aan tafel met wat oudere gildeleden die hier elke maandagmorgen komen om in de tuin te werken, het archief bij te houden en vooral „om te buurten”.

De één: „Want dat is het belangrijkste aan het gilde, de sociale contacten.”

De ander: „En bij gelegenheid een pilsje.”

Een derde: „Al moeten we af van dat imago: Als het kalf niet wil drinken, doe het maar bij het gilde, dan leert hij het wel.”

Ze lachen.

Het gilde leeft in Liessel. Het haalt het oud papier op in het dorp en heeft de Sint-Hubertuskapel herbouwd. Als het gilde koningschiet, loopt het halve dorp uit. Dan hebben 28 buurten 28 erebogen gemaakt om de uiteindelijke nieuwe koning hulde te brengen. Van de 45 actieve leden (alleen mannen) zijn er 27 jonger dan zestig. Hoofdman Van Someren: „Wij hoeven hier niet ons best te doen nieuwe leden te werven.”

Wel blijkt dat veel mannen zich op iets latere leeftijd bij het gilde hebben aangesloten.

De één: „Ik ben pas bij het gilde gegaan nadat ik ophield met voetbal. Je kunt niet bij twee verenigingen heel actief zijn, vind ik.”

De ander: „Ik kwam hier nadat ik stopte met darten.”

De derde: „Als gildebroeder sta je hier in het dorp nooit alleen.”

Zilveren schild

Het gilde Sint-Antonius Abt in Liempde ontvangt op koningsdag, een zondag in mei waarop het gilde zijn koning eert. Vorig jaar won Wynand Bressers (48) het koningsschieten, dit jaar wordt hij geëerd op koningsdag, volgend jaar is er weer koningsschieten; zo is de cyclus. Ook hier ligt het eenvoudige eigen gildehuis met bijbehorend schietveld iets buiten het dorp.

Voor het officiële programma begint, vertellen Hoofdman Roger van Laere (78) en Deken Schrijver Jos Beerens (78) dat bij het koningsschieten in Liempde nauwelijks mensen komen kijken. Het gilde is pas in 1986 heropgericht. Misschien komt het daardoor, denken ze, dat het gilde geen vanzelfsprekend onderdeel is van het dorpsleven.

Hoofdman Van Laere: „Toch maak ik me geen zorgen over de continuïteit.”

Koning Bressers: „Meende gij dâ nou echt? Ge het net oew leeftijd genoemd. En Jos ook.”

Hoofdman: „Ik bedoel: je kunt niet forceren dat mensen bij het gilde gaan.”

Ze vertellen over de verschillende informatieavonden die ze hielden, waar niemand op af kwam en over het scholenproject dat niets opleverde. Dit jaar laten ze vendels maken tijdens de jeugdvakantieweek. Wie weet?

Vier jaar geleden kwam het laatste nieuwe lid erbij; 66 jaar oud. Van de 28 leden (onder wie vier vrouwen) zijn er twee jonger dan vijftig en twee jeugdleden (de kinderen van koning Bressers). Bressers: „Ik zie steeds meer mensen oud en gebrekkig worden.”

Het programma begint. Het gilde gaat in optocht over het schietveld en houdt tenslotte halt om de koning te eren met tromgeroffel en een vendelgroet. De hoofdman spreekt: „Door het handhaven van gewoonten krijg je een zeker houvast.” Dan kan het schieten beginnen.

Bressers laat zijn schild zien. „Als koning moet je een zilveren schild laten maken. Vaak zegt dat iets over je beroep. Maar ik ben wasmachinemonteur en wilde geen schild in de vorm van een wasmachine. Omdat ik tamboer ben is het een trom geworden.” In de trom staat een afbeelding gegraveerd van Bressers met zijn zoon (13) en dochter (16) in gildekostuum. Hij schiet vol als hij er naar kijkt.

Zijn dochter wil sinds kort liever niet meer in gildekostuum over straat, vertelt hij. „Ze wilde vandaag per se met mij mee in de auto en niet op haar fiets. Ook al weet ze dat ze dan dus niet eerder naar huis kan.”

Het gras onder de voeten van de schuilende gildebroeders deze zondagse Kringdag in juni wordt steeds zompiger. Hagel slaat neer op de tent, donder rolt over de voetbalvelden. Een delegatie trekt zich terug voor crisisberaad en ziet dat de velden onbegaanbaar zijn geworden en de regen nog uren zal aanhouden. Als de delegatie terugkeert om aan te kondigen dat de wedstrijden voor vandaag worden afgelast, staan mensen tot hun enkels in het water. Velen hebben sokken en schoenen uitgetrokken. Het bier vloeit even rijkelijk als het hemelwater. Gelukkig maar, zegt Henk de Hair. Het viel al niet mee een gilde te vinden dat de Kringdag wilde organiseren in verband met de kosten en de moeite. Doordat mensen blijven drinken wordt de strop voor het organiserende gilde in elk geval niet groter dan hij al is.