Vermist in het Gardameer maar voor de bank ben je er nog gewoon

Vermist Nabestaanden van een vermiste belanden vaak in een moeras van bureaucratie en schulden. Banken en recent ook verzekeraars hebben besloten coulanter te zijn.

‘Vermist’ is geen juridische status, waardoor bankrekeningen niet kunnen worden opgeheven en verzekeringen niet kunnen worden stopgezet of uitgekeerd. Foto Hollandse Hoogte

De man van Karin van Gorkum (58) was triatleet. Bij Tignale aan het Gardameer waar ze in juli 2009 met hun jongste zoon vakantie hielden, kon haar man Rob goed trainen. Ze kwamen er vaker. „Hij klom de berg af, zwom een stuk in het meer en klauterde dan weer naar boven”, vertelt Van Gorkum.

Op 29 juli was hij ook naar beneden gegaan. Van Gorkum was met haar zoon in het vakantiehuisje gebleven. Rob kwam niet terug van het zwemmen. Zijn spullen werden op het strandje bij het meer gevonden. „De Italiaanse politie waarschuwde ons meteen: 20 procent van de zwemmers die vermist raken, vinden we nooit terug. Ze legden ons uit dat het meer eigenlijk een dal in de bergen is en dat als ze lichamen niet binnen vier dagen vinden, ze waarschijnlijk vastzitten in kloven of de begroeiing onder water.”

Er werd met helikopters en duikers gezocht, maar Rob is nooit gevonden. En dus keerden Karin van Gorkum en haar zoon terug naar huis.

Ze belandde vervolgens in een bureaucratisch moeras. „Ik had al wat gegoogeld over procedures bij vermissingen en ik wist: dit wordt heel lastig.” ‘Lastig’ bleek een eufemisme. Zonder stoffelijk overschot is er geen overlijden en blijft iemand vermist. Alleen is ‘vermist’ geen juridische status. Met als gevolg dat zolang iemand vermist is, verzekeringen niet kunnen worden stopgezet of uitgekeerd. Van Gorkum belde zich suf: „De levensverzekering, zorgverzekering, weduwen- en wezenpensioen; ik liep overal met mijn kop tegen de muur.”

Het Sint Franciscus Gasthuis in Rotterdam, waar haar man pastoraal werker was, betaalde zijn salaris nog een paar maanden door. „We hadden wat spaargeld en ik ben meer gaan werken, maar het was schrapen. Als ik geen geld had kunnen lenen van vrienden had ik het niet gered.”

Na anderhalf jaar belde Van Gorkum de zorgverzekeraar dat ze financieel echt aan de grond zat. „Toen stopten ze de premiebetaling. Maar na drie maanden kreeg ik alweer een boete en een brief van Zorginstituut Nederland dat Rob zich niet kon uitschrijven. Het was om wanhopig van te worden. En al die tijd kom je aan rouwen niet toe.”

Na een jaar kon ze bij de rechtbank een zogeheten rechtsvermoeden van overlijden aanvragen. Negen maanden later was de zitting. Na nog weer zes weken, waarin ze een advertentie in een krant moest zetten met een oproep aan Rob om zich te melden, kreeg Van Gorkum eindelijk de akte van overlijden. Meer dan twee jaar na de vermissing kon ze beginnen met rouwen en stortte ze in.

Bij Slachtofferhulp Nederland komen ze ervaringen als van Van Gorkum veel tegen, vertelt directeur Victor Jammers. „Als de vermiste kostwinner is, lopen de schulden snel op. Abonnementen en automatische overschrijvingen lopen door, net als de rekeningen, gemeentelijke heffingen en de jaarlijkse inkomstenbelasting. Dan gaat het hard.”

Meer dan twee jaar na de vermissing kon ze beginnen met rouwen en stortte ze in

Rompslomp

Slachtofferhulp Nederland is sinds een paar jaar het centrale punt dat achterblijvers bijstaat bij alle bureaucratische rompslomp. Van Gorkum: „Het is ontzettend fijn dat als je een aanmaning krijgt van een verzekeraar, je kunt doorverwijzen naar Slachtofferhulp. Een instantie wordt toch sneller geloofd.”

Om te voorkomen dat nabestaanden financieel onderuitgaan, hebben banken een protocol afgesproken. Voortaan is er bij alle banken of per vestiging één afdeling waar achterblijvers terechtkunnen. Dat lijkt een puur organisatorische ingreep, maar het is grote winst, zegt voorzitter Chris Buijink van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVvB). „Elke bank krijgt hier ‘slechts’ een paar keer per jaar mee te maken. Dus er was geen vaste route die bepaalt hoe er moet worden gehandeld. Daardoor kon het soms maanden duren voor er iets werd geregeld – als er al een betalingsregeling kon worden getroffen. Een vast aanspreekpunt bij elke bank betekent dat achterblijvers niet steeds het hele verhaal opnieuw hoeven uitleggen en dat we hen dus sneller kunnen helpen. Ook voor onze eigen medewerkers is het duidelijk naar wie ze kunnen doorverwijzen.”

Een ander belangrijk deel van het protocol: de banken bekijken ieder geval individueel. Buijink: „We willen achterblijvers echt ‘ontzorgen’. Op korte termijn betekent dit dat eerder een bewindvoerder wordt aangewezen om bijvoorbeeld toegang tot rekeningen te kunnen krijgen. Op lange termijn betekent het: kunnen we billijkheid en coulance betrachten ten aanzien van leningen? Vaak is er bijvoorbeeld een overlijdensrisicoverzekering. Als je weet dat er op lange termijn financiële ruimte komt, dan is het goed mogelijk de hypotheekaflossing op te schorten.”

Tot Van Gorkums grote verbazing was er bij geen enkele instantie iets geregeld voor nabestaanden. „Ik dacht steeds: ik ben toch niet de eerste die dit overkomt? Maar overal was het van ‘eh, we moeten dit even uitzoeken, u wordt teruggebeld’.”

Dat achterblijvers van een familielid of partner financieel ten onder kunnen gaan, trok in 2013 de aandacht van de SP die Kamervragen stelde. Volgens toenmalig staatssecretaris van Justitie Fred Teeven bood de wet banken en verzekeraars genoeg ruimte om bij vermissingen af te wijken van de regels en bijvoorbeeld betalingsregelingen te treffen. Van Gorkum: „Toen heb ik woedend mijn verzekeraar gebeld dat ze al die tijd tegen me hadden gelogen. Ze belden terug met excuses en vroegen me langs te komen en hun te vertellen wat ze anders hadden kunnen doen.”

Het resulteerde uiteindelijk in de opstelling van een protocol in 2014 door het Verbond van Verzekeraars met daarin de mogelijkheid in dit soort situaties tijdelijk premiebetalingen op te schorten zonder de verzekering te stoppen. Ook bij de totstandkoming van het protocol met de banken was Van Gorkum betrokken. „Ik vond dat niemand zoiets moest meemaken als ik had meegemaakt. Maar bovenal deed ik het voor mijn kinderen. Mijn man was dominee, mijn kinderen deden veel vrijwilligerswerk; wij waren een heel sociaal gezin. Maar toen wij hulp nodig hadden, was er niets. De Ombudsman, het Rode Kruis, niemand kon ons helpen. Mijn zoons waren zo teleurgesteld in Nederland. Ze dachten steeds vaker ‘deze maatschappij is niet voor mij’. Ik wilde dat beeld corrigeren; laten zien dat er wel degelijk goede mensen zijn die ook voor ons willen zorgen, maar dat we gewoon niet de juiste mensen waren tegengekomen.”

Met het protocol van de banken is een grote stap tegen de bureaucratie gezet, en er komt meer verbetering aan. De Pensioenfederatie heeft begin deze maand een voorbeeldprotocol onder leden verspreid. Slachtofferhulp Nederland praat ook met de gemeenten, het Genootschap van Burgemeesters en de Belastingdienst over de mogelijkheden meer consideratie met achterblijvers te tonen. Directeur Jammers verwacht daarin dit jaar ook vooruitgang.

Ondertussen wordt door andere nabestaanden gepleit voor een aparte juridische status voor vermisten. Inger de Vries (23), wier vader eind 2013 vermist raakte, bood een Kamercommissie vorig jaar meer dan 47.000 handtekeningen en een petitie aan, waarin ze pleit voor een wetswijziging. De Vries en haar schoonmoeder belandden in bureaucratische molens en hadden ook grote moeite financieel rond te komen. Het lichaam van haar vader werd na negen maanden gevonden. Minister Van der Steur (Justitie, VVD) liet eerder weten dat hij een officiële status niet ziet zitten. Woensdag wordt in een hoorzitting bij de Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie verder over dit onderwerp gepraat.

Jammers van Slachtofferhulp denkt dat een officiële status niet per se noodzakelijk is. „Als we met de betrokken partijen afspraken kunnen maken voor meer maatwerk voor achterblijvers, heeft een aparte status geen meerwaarde. Maar ik wil dan wel concrete verbeteringen zien in de praktijk bij hulp aan achterblijvers. We gaan dus ook bij de afspraken met de banken vinger aan de pols houden.”