Recensie

Na het inchecken gingen we met z’n vieren in een grand café zitten, onder hoge ramen die uitzagen op de taxibanen

en de plompe vliegtuigen die werden voortgetrokken door veel te kleine loodswagentjes. Vlakbij onze tafel fotografeerde een jongen een toestel van Malaysia Airlines met zijn smartphone. Hij toonde het resultaat aan een meisje naast hem. ‘Die zet ik op twitter.’ Hij drukte met zijn duimnagel enkele toetsen in, en hield haar opnieuw het schermpje voor. Ze lachte, en zei: ‘Heftig.’

‘Is dat vlucht MX17?’ vroeg ik de jongen. Met een gezicht glanzend van voorpret liet hij me de foto zien, die zich al over het netwerk aan het verspreiden was. Eronder de tekst: ‘MOCHT HIJ VERDWIJNEN, ZO ZAG HIJ ERUIT.’ Omdat hij de foto door de ruit heen genomen had, stonden hij, het meisje en ons hele gezelschap er ook op, in spiegelbeeld, glashelder en herkenbaar. Omdat ik niet lachte, zei hij: ‘Snap je? Ik verwijs naar MX370. Wij zitten straks ook in deze kist.’ ‘Superheftig,’ lachte het meisje.

‘Volgens mijn vader hier,’ zei ik, ‘is MX370 in een groot, kruisvormig koraalrif aan het veranderen, ergens op de zeebodem ten westen van Australië.’

‘De natuur overwint alles,’ zei de jongen. ‘Goede reis straks.’

De oude uitdrukking luidde dat iemand ‘met zijn ziel onder de arm rondliep’. Nu alweer jaren liepen de mensen heel wat doelgerichter, maar nog steeds even eenzaam, met hun ziel in de hand rond. Ze waren elk moment bereid er alles wat op hun pad kwam mee op te zuigen, en het opgeslorpte te ‘delen’ met zo ongeveer alle overige zielen op aarde, die losjes in de handen van de mensenkinderen lagen – tot ze weer opgloeiden en hun ringtone lieten horen, of andere alarmerende zuigelingengeluidjes. Beethoven had er groot koor en orkest voor nodig om alle mensen tot broederschap op te roepen. Nou, het had nog heel wat voeten in de aarde (1870, 1914, 1940, 1952, 1956, 1967, 1991, 2003) eer de mensheid begreep dat het niet om broederschappen tegenover elkaar ging. Sinds een paar jaar was de heerschappij van de wereldbroederschap een voldongen feit, en hoefden we met dat nieuwe lantaarntje in de hand nooit lang meer naar een medemens te zoeken. Vroeger, in gevaarlijker tijden, had je despoten, tirannen, sekteleiders met hondsgedweeë of fanatieke of onvrijwillige volgelingen. Nu, in de superdemocratie van de digitale wereldbroederschap, waren we volgers – van elkaar. We zetten onze borst op, en floten en kwetterden erop los: een fugatisch koor, gevolgd en beantwoord door weer andere fugatische koren, wereldwijd en ad infinitum. Laatst deelde een vrouw in het kraambed haar weeën met al haar volgers, die haar lijden verlichtten door het in minder dan veertig tekens over de aardbol te verspreiden. De Hof van Eden, eindelijk: op elke twijg honderd gevederde vrienden, iedere tsjilpende vogel een menselijke ziel, oplichtend in het duister om de verlossende boodschap te verkondigen. ‘Bilnaad gescheurd. Het is een meisje en we noemen haar... Pijn.’

‘Zo, Haandrikman, ook van de partij?’ Mijn vader stond op om het groepje collega’s te begroeten, dat net als hij naar het schrijverscongres in Peking ging. Ze deden allemaal wat lacherig over het feit dat ze met Malaysia Airlines vlogen. ‘Denk je veilig met KLM te vliegen, blijkt het een gecombineerde vlucht.’ Mijn vader zei: ‘Als dit toestel de MX370 achterna gaat, dan hebben de kranten morgen een mooie kop. KLAP VOOR DE NEDERLANDSE LITERATUUR.’

‘Dan zal een commissie moeten uitzoeken,’ zei de auteur van Nolijeheine grinnikend, ‘hoe het er na de crash met de canon voorstaat.’

‘Vergelijk het met een epidemie van wonderen,’ opperde een ander. ‘Het Vaticaan dat omkomt in de zaligverklaringen.’

‘Over epidemie gesproken,’ zei een uitgever die erbij was komen staan. ‘Er is ook een delegatie wetenschappers aan boord... op weg naar een Ebolacongres in Australië.’

‘Reizen ze dan niet de verkeerde kant op?’ Typisch een opmerking van Patrick. Ik stond op, en bood de heren schrijvers een biertje aan. Ze sloegen beleefd af, op mijn vader na. Branda en mijn moeder wilden allebei cappuccino.

‘... een soort noodcongres,’ verstond ik onder het weglopen nog. ‘Snel zoveel mogelijk kennis uitwisselen. Er is ter plekke een laboratorium ingericht... voor directe resultaten...’