Musea zijn er niet voor omzet in de horeca

Hoogleraar kunstgeschiedenis Peter Hecht verdedigt bij zijn afscheid zowel de studie kunstgeschiedenis als kleine musea. „We zijn evenementgericht geworden.”

Peter Hecht was een jongetje van tien toen zijn ouders hem meenamen naar de National Gallery of Art in Washington. Hij liep er met open mond rond: wat overdonderend mooi allemaal. En die schilderijen had iemand zo maar weggegeven aan een museum? Was die man wel ooit bedankt? Anders wilde hij dat graag doen.

Dus vroeg Peter Hecht in zijn beste Engels bij de receptie het adres van Paul Mellon, zoon van de inmiddels overleden Amerikaanse miljonair en kunstverzamelaar Andrew Mellon, en zelf ook verzamelaar. Het was het begin van een correspondentie die duurde tot de dood van Paul Mellon, in 1999.

Afgelopen woensdag nam Peter Hecht (65) afscheid als hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Utrecht. Ook komt daarmee een einde aan zijn ‘fellowship’ voor de Vereniging Rembrandt (die musea financieel steunt bij kunstaankopen). Voor dat afscheid hebben directeuren en conservatoren van musea uit Nederland, Frankrijk, Duitsland, Denemarken, Groot-Brittannië, België, Zwitserland en ja, ook van de National Gallery of Art een boek samengesteld met speciaal voor hem geschreven essays, Collecting for the public.

Op de voorkant prijkt een afbeelding van de ‘Jongen in een rood vest’ van Cézanne, die Paul Mellon in 1994 schonk aan de National Gallery of Art, nadat hij het werk in 1958 had gekocht voor wat toen een recordprijs was (220.000 Engelse pond). Wie Peter Hecht kent, zal denken dat de jongen op het schilderij lijkt op het jongetje dat 55 jaar geleden voor het eerst de National Gallery of Art bezocht: een beetje onzeker nog, maar met die hand in zijn zij ook al licht uitdagend. Misschien wat koppig, ook.

Want dat ís hoogleraar Peter Hecht: een man die tegen de stroom in, maar met veel verve en een grote kennis van zaken verdedigt wat hem dierbaar is. De studie kunstgeschiedenis bijvoorbeeld, die aan zijn universiteit mede dankzij zijn verzet niet opging in een brede cultuurstudie. Maar waar ook hij tegenwoordig werkgroepen geeft aan twee keer zoveel studenten tegelijk als indertijd, in kortere blokken per vak en met meer door docenten in te vullen formulieren.

Vooral verdedigt hij de tientallen kleine stedelijke musea, met hun afnemende bezoekersaantallen en de politieke druk om erop te bezuinigen. In het Dordrechts Museum is nog tot 11 september de door hem samengestelde tentoonstelling ‘Uit liefde voor de stad’ te zien, met voorwerpen en schilderijen uit Dordrecht, Leiden (De Lakenhal) en Deventer (De Waag). In de bijbehorende catalogus schreef hij: „Tentoonstellingen en evenementen, dat is allemaal heel aardig. Maar musea gaan over continuïteit, niet over het verhogen van de omzet in de horeca. En wat de stad of de staat van zijn musea moet willen, is niet het grootste aantal bezoekers en de grootste herrie in de media, maar een gewetensvol beheer en een intelligente presentatie van wat er door de eeuwen heen is verzameld.”

Tegen de stroom in, tegen de tijdgeest in. Waarom? Peter Hecht: „Omdat het urgent is. Veel stedelijke musea hebben collecties met een bescheiden verhaal, en dat verhaal valt steeds moeilijker te vertellen. Je ziet er werk dat in grotere musea zelden voor het voetlicht komt. Of dat daar een curiosum zou zijn, zoals Rembrandts Brillenkoper. In De Lakenhal, waar het werk nu hangt, is het wél op zijn plek, omdat Rembrandt zijn jonge jaren doorbracht in Leiden. En het museum wil dat verhaal kunnen vertellen.”

Mirakelbrood

Kunst kan nog wel overleven zonder verhaal; voor de spullen van die musea, het stedelijk erfgoed, geldt dat veel minder. „Die ontlenen hun betekenis aan de geschiedenis van de stad, aan de gebeurtenis waar zij mee verbonden zijn. Neem het Leidse Mirakelbrood. Volgens de overlevering is dat een brood dat God versteende, als straf voor een vrouw die het niet wilde delen met haar hongerige buurvrouw. Als je dat niet weet, is het gewoon een steen die je bij wijze van spreken in de tuin kan leggen. Wanneer mensen die geschiedenis niet meer kennen, wanneer er niemand meer is die dat verhaal vertelt, verliezen zulke spullen hun waarde.”

Hebben wij als publiek niet genoeg belangstelling voor zulke verhalen of doen de kleine stedelijke musea waar we niet naar toegaan iets fout? „Allebei. Als publiek zijn we evenementgericht geworden. We willen dat er iets bijzonders gebeurt. Of dat er een bekende naam wordt geëxposeerd. Maar daar komt het niet alleen door. Ik kom zelf ook in musea waarvan ik denk: wat doe ik hier, waarom sluiten ze deze tent niet. Dan werkt daar een conservator die zijn eigen interesses niet om weet te zetten in wat bezoekers zou interesseren. Of, wat je ook ziet: dat zo’n museum aan ‘dumbing down’ gaat doen, op de knieën gaat zitten om het je maar zo makkelijk mogelijk te maken. Maar als ik al denk ‘wat doe ik hier’, dan denkt een wethouder die moet bezuinigen en die door zo’n museum loopt dat zeker.”

Kan het ook anders? „Een paar jaar geleden had ik hier een werkgroep over georganiseerd, dat was een van de leukste die ik ooit heb gegeven. De studenten kozen een klein stedelijk museum uit en moesten daar vier vragen over beantwoorden: 1. Hoe is dit museum ontstaan? 2. Wat voor soort museum is het geworden? 3. Hoe staat het museum er nu bij? 4. Wat zou jij doen als het jouw museum was? We gingen samen op bezoek bij die musea, waar de studenten er dan achter kwamen hoe beperkt het budget vaak is, en dat er meestal alleen bezoekers uit de regio komen. Of toevallige toeristen. Maar de museumdirecteuren leerden ook van de studenten, bijvoorbeeld dat je je fantasie moet durven gebruiken. Veel van zulke musea hebben een gebrek aan vertrouwen in de eigen collectie, in wat ze in huis hebben en wat dat voorstelt.”

Heidenen

Wat ons brengt bij het tweede onderwerp dat hem na aan het hart ligt. Zijn afscheidscollege begint ermee: de veranderingen in de studie kunstgeschiedenis. Peter Hecht: „Als vooropleiding was toen het gymnasium nog verplicht. Wij konden daarom allemaal heel behoorlijk Frans, Duits en Engels lezen en hadden door het vele vertalen uit het Latijn en Grieks ook de nodige kennis van de klassieke mythologie en de oude geschiedenis meegekregen. En zelfs de heidenen onder ons kenden de belangrijkste verhalen uit de Bijbel nog.”

Utrecht heeft nu een ‘basismodule christendom’, want de meeste studenten ontbreekt het aan bijbelkennis. En Franse en Duitse artikelen lezen, dat gaat eigenlijk niet meer. Is dat erg? „Het gevolg is in elk geval dat steeds meer van onze studenten kiezen voor eigentijdse kunst. Omdat ze denken dat je daar ook mee aan de slag kunt met Nederlands en Engels – en zonder veel kennis van de geschiedenis. Het tegendeel is waar. Maar de studie van traditie, het begrip van het verleden, en de belangstelling daarvoor, is onder druk komen te staan.”

Maar, zei hij ook bij zijn afscheid: toen hij een onderwerp koos en begon te schrijven over de veranderingen in de studie kunstgeschiedenis, merkte hij dat dit niet het goede onderwerp was: „Dan zou het eindigen in mineur en dat wil ik niet.” Dus stapte hij over op wat zijn werk als kunsthistoricus hem heeft geleerd en hoeveel plezier hij daaraan heeft beleefd. Met als conclusie: „Het is knap en bijzonder als iemand het laatste onbekende woord in Homerus overtuigend heeft geduid, maar zoiets is nergens meer goed voor als niemand nog Homerus leest. Iedere generatie moet opnieuw worden gewonnen voor de waarde van onze oude kunst.”