Een onscherp stukje Zeeland

Wat kun je zien op plaatsen waar op het eerste gezicht niet zo veel is te zien? Een zomerse serie reportages door heel Nederland. Deel 1, De Kaloot, een stukje strand voor de kerncentrale van Borssele.

De bocht in de Schelde is nog hetzelfde. De zeeschepen die op de vloed op een rij richting Antwerpen varen maken hier de scherpe draai die ze al eeuwen maken. Langs de hoogwaterlijn kun je nog steeds fossiele haaientanden vinden, losgewoeld uit een zestig meter diepe put in de rivierbodem. Verder is hier weinig zoals het was.

Dit is de Kaloot. Een stukje grijs strand. Ginds ligt Vlissingen. Achter de dijk zoemt de massieve kerncentrale van Borssele. Koelwater stroomt dampend de rivier in. Net achter de dijk: een woud van windmolens. De nieuwe energie van destijds, het gesplitste atoom, is alweer bijna voorbij. Hoe lang blijven die windmolens de toekomst?

Geen Nederlandse provincie is vermoedelijk zo op de schop gegaan als Zeeland. Tegen het water, om nieuwe havens en kanalen aan te leggen, om het boerenbedrijf efficiënter te maken, als corridor voor industrie en energie. De resterende natuur dient vooral een doel, lijkt het: als buffer voor industrie, als compensatie voor verloren natuur elders, zoals de Hedwigepolder in Zeeuws-Vlaanderen die nu onder water wordt gezet, of als plek om te recreëren. Ruimte is utilitair geworden, wordt beschreven in termen van nut, hier en nu.

Zo kun je gemakkelijk uit het oog verliezen dat het landschap ook zelf iets is, met een geschiedenis. ‘Geschapen land’, gedurende eeuwen, een weefsel van wat er was en menselijk ingrijpen.

Ik heb een landkaart van anderhalve eeuw geleden erbij gepakt, gemaakt door militaire landmeters. Hoe zag Zeeland er toen uit? Scherper én vager.

De overgang tussen stad en land was hard. Middelburg, Goes en Zierikzee waren nog nauwelijks buiten hun oude vestingwallen gegroeid. Alleen het station of een paar ‘buitens’ met park liggen er. Dat wijde land is, afgezien van de nieuwe polders, nog niet langs de lineaal gelegd. Natte weiden, opgaand griendhout, rietland, zandstuiving, holle weg, gruis- en schelpweg, hoeve met boomgaard en moestuin, zegt de legenda. De stippels van een telegraaflijn.

Zeeland was een optimistische provincie. Op oude ansichten zie je de vooruitgang. Nieuwe sluizen en kanalen met klippers, een hypermodern scheepstype, schoon geschrobde kinderen voor een nieuwe school, een klinkerweg met een nieuwe tram.

Maar de kaart laat ook zien dat de overgang tussen zee en land juist onscherp is. De zee spoelt twee keer per dag het land op en af. Sommige gronden lopen alleen bij springvloed onder. Langs de meeste dijken ligt een schort van schorren en slikken. Land en water gaan in elkaar over als een aquarel. Zo was de Kaloot. Nu is het precies andersom: steden gaan vloeiend over in hun omgeving. De scheiding tussen het water en het land is messcherp.

Het nutsdenken was er al eerder

Het nutsdenken is niet van nu. Op de Kaloot groeiden zeekraal en lamsoor, goed tegen de scheurbuik. „Zo dra gy aan de grenzen der Zee, op slikken en schorren, op laage brakke landen, die by alle getyden onderloopen, den voet zet; zult gy zo veele andere Planten, zo voordeelig tegen de Scorbut, onze gemeene Landziekte, ontmoeten, dat gy niet zult kunnen nalaaten, in deezen ’s Scheppers goedheid en zorge ter verligtinge onzer kwaalen te erkennen”, schreef Jan Floris Martinet, een achttiende-eeuwer. Om er aan toe te voegen dat juist het ontginnen van al die verdronken landen Nederland in een paradijs zou veranderen.

„Het paradijs is maar een paar kilometer van huis”, schreef Hans Warren in zijn natuurdagboek. Hij is hier geboren, in 1921. Zijn vader was dijkbaas, verantwoordelijk voor dit stukje zeewering. Hun huis stond eenzaam op de dijk, een klein vuurtorentje in de voortuin.

Warren werd beroemd met zijn 23 ‘geheime’ dagboeken. Maar hier schreef hij het dagboek dat daaraan voorafging, Ik ging naar de Noordnol, een minutieus verslag van zijn dagelijkse tochten langs de Kaloot, tussen vogels en zeehonden, van 1936 tot het tweede oorlogsjaar.

Langs de Noordnol loopt het koele water uit de Schelde nu de kerncentrale binnen. Toen was het alleen een strekdam van basaltblokken. „Er zeilde tussen de groep zilvermeeuwen een exemplaar mee, heel blank, lichter dan de zilvers en zonder zwart aan de vleugeltoppen: een grote burgemeester. Ze koersten richting Nol. Ik er weer achteraan”, schreef hij.

Het zijn niet alleen losse notities van een jongen die er nog decennia over zal doen om uit de kast te komen. Warren oefende in die tijd vooral om de nieuwe Jac. P. Thijsse te worden en begon in die tijd te publiceren in diens tijdschrift, De Levende Natuur.

Thijsse, natuurbeschermer, onderwijzer en schrijver van de Verkade-albums, geldt als de redder van het Naardermeer, waar de gemeente Amsterdam een vuilstort had gedacht. Het zou in 1905 leiden tot de oprichting van de Vereniging Natuurmonumenten. Thijsse leerde Nederland met nieuwe ogen naar zijn ‘woeste gronden’ te kijken en was een van de eersten die zich verzette tegen wat nu de ‘verrommeling’ van het landelijk gebied heet.

Warren stierf in 2001. Het huis waar hij opgroeide was toen al verdwenen onder de nieuwe zeedijk ‘op Deltahoogte’. Op de plek van het vuurtorentje staat nog een onttakeld baken.

„Hier en daar wordt er voor de vorm wat gecompenseerd”, schreef Warren kort voor zijn dood. „De zeearm, ooit een natuurgebied van onovertroffen rijkdom, veranderde in een armetierig kanaal. Het is voor mij een dagelijks verdriet, bijna een open wond: het bederf van het landschap, de onbeteugelde groei van industriegebieden, bungalowparken, woonwijken.”

De Kaloot is een klassiek geval: een flinter strand met een stukje opgespoten duin en een nieuw aangelegd zoutwatermeertje in een industrieel decor. Rijkswaterstaat heeft er een bord naast gezet: „Dergelijke gebieden, die we slufters noemen, zijn erg zeldzaam in Europa.”

Twee jongens op crossmotoren rijden cirkels in het grijze zand. Aan de vloedlijn zoekt een gezin naar haaientanden.