Alle vertrouwen in ‘onze jongens’

In de jaren 60 voetbalden ze in IJsland nog op versteend lava. Pas sinds het kunstgras konden ze écht voetballen. En hoe! Iedereen is trots.

IJslanders vieren de plaatsing voor de kwartfinale na de gewonnen wedstrijd tegen Engeland, afgelopen maandag. Foto AFP/HALLDOR KOLBEINS

„Daar.” Voetbalhistoricus Sigmundur Ó Steinarsson (69) wijst vanaf de Arnarhóll-heuvel naar een parkeerplaats gelegen aan een drukke autoweg. Die parkeerplaats is nu nog leeg. Maar zondagavond om kwart voor negen, als IJsland de EK-kwartfinale tegen Frankrijk speelt, zullen daar gigantische schermen hangen. En dan zullen daar tienduizend IJslanders vanaf de heuvel kijken naar „onze jongens”. Zelfs de weg wordt afgesloten. Steinarsson: „Mensen zullen hier uit vreugde van de heuvel afrollen als we winnen.”

Hier is in het winderige centrum van Reykjavik, de IJslandse hoofdstad die ongeveer 120.000 inwoners telt. De straten zijn brandschoon, de huisjes hebben alle kleuren van de regenboog. Dat IJsland succes heeft op het EK Voetbal zie je terug in het straatbeeld: overal hangen de blauwe vlaggetjes met het rode kruis. En spelers van het nationale team gluren je vanaf banners en megastickers vanuit alle hoeken en gaten tegemoet. Maar hoe kwam het nationale team eigenlijk tot dit succes? En hoe is de stemming in Reykjavik?

Alleen maar nederlagen

Tot tien jaar terug was de IJslandse voetbalhistorie er toch vooral eentje van dieptepunten, zegt Steinarsson, inmiddels gezeten in café Paris in het centrum van Reykjavik. Steinarsson schreef twee boeken over de IJslandse voetbalgeschiedenis. Een historie die zich kenmerkt door nederlagen en wanprestaties.

„In de jaren zestig werd nog op hard geworden lava gevoetbald”, vertelt hij. „En later op gravelbanen.” De grote sprong voorwaarts kwam begin deze eeuw. Toen maakte IJsland kennis met het kunstgras. Steinarsson: „Daardoor kon het hele jaar door gevoetbald worden. Dit is de eerste generatie die daar nu van profiteert.”

En daar zijn de IJslanders maar wat blij mee. Vraag het de gemiddelde inwoner op straat; man, vrouw, jongen, meisje, arm, rijk. Iedereen is trots op „de jongens”. Het is „ongelooflijk”. Via via kennen ze allemaal wel een international. En nee, bang voor de grote wedstrijd zondag tegen Frankrijk zijn de IJslanders niet. Het zijn immers Vikingen. Kristofer Murtini (19), die zelf nog steeds droomt van een carrière als profvoetballer: „Wij zijn een reuzen-killer. Zondag lopen we hier weer feestend door de stad”. Gudni Kolbeinsson (70, leraar IJslandse taal en cultuur): „Of ze nou winnen of verliezen, ik ben nu al heel trots op wat we bereikt hebben.”

Succes, succes. Die woorden klinken Telma Sigtrygsdottir (41) als muziek in de oren. Ze runt een toeristenwinkeltje in het centrum van de stad en profiteert van de voetbalprestaties van IJsland. Ze verkoopt voetbalshirts en sjaaltjes. Even snel inventariseren: één, twee. Twee? Ja, twee officiële voetbalshirts van IJsland heeft ze nog in de aanbieding. Let wel: „Maatje extra extra small en extra extra extra large.” Ze heeft al bijbesteld. Ze verkoopt niet alleen vanwege de inkomsten. Ze draagt ook de sport een warm hart toe. „Ik heb vier dochters, drie van hen zitten op voetbal.”

Succes is gevaarlijk

Toch is al dat voetbalsucces ook een beetje riskant, zeggen sommige IJslanders. Zo zorgt het EK voor nog meer bekendheid onder toeristen, zegt Steinnunnyr Einarsdottir (33, lerares op een basisschool). Ze maakt zich daar wel eens zorgen over. „We kunnen nu de toeristen al nauwelijks aan”, zegt ze. „Ons land is gewoon niet berekend op grote groepen mensen. Het is gevaarlijk, ze kunnen onze natuur verwoesten.” En dan is er nog het risico dat het succes de voetballers naar het hoofd zal stijgen.

Volgens voetbalhistoricus Steinarsson valt dat wel mee. „De coach van kan de jongens wel in het gareel houden.” En wat nou als IJsland echt wint van Frankrijk? Steinarssons ogen schieten vol: „Dan zit er maar één ding op: een derde deel schrijven. Het succes van IJsland.”