Hoe beleeft Timo Roosen zijn eerste Tour?

Tour de France Timo Roosen (23) debuteert dit jaar met Lotto-Jumbo in de Tour de France. NRC gaat hem dagelijks volgen om te zien hoe hij zich staande houdt in de grootste wielerwedstrijd ter wereld. Aflevering 1 is een kennismaking.

@timoroosen

@timoroosen

Een boomlange vent is het, Timo Roosen uit Goirle, Brabant. 1 meter 94 lang, 76 kilo zwaar, een ideale lead-outman, iemand die ploegmaats die hoger in de pikorde staan perfect uit de wind kan houden. En profil heeft hij wel wat weg van Tom Dumoulin, met dat donkere haar netjes in de plooi – hij ging naar de kapper daags voor vertrek naar Frankrijk – en dat esthetisch fraaie gezicht. Een nuchtere jongeman, niet bang om te falen in zijn eerste Tour de France.
Roosen liep drie jaar geleden stage bij het Rabobank Development Team, en mocht het vorig jaar bij de profs van Lotto-Jumbo proberen. Hij wil zich onder de vleugels van collega Sep Vanmarcke graag ontwikkelen als kasseienkoning. Maar eerst de Tour.

Bij de ploegenprestatie van Lotto-Jumbo in januari had niemand het over jou. Had je verwacht dat je de Tour nu al mocht rijden?
“Nee, en dat was ook helemaal niet de bedoeling. Ook niet volgend jaar. In 2018 op z’n vroegst. Maar ik voerde mijn taken in de sprinttrein van Dylan (Groenewegen, red.) zo goed uit dat ik nu al mee mocht, die trein loopt de laatste tijd ook goed. Ik kreeg het onlangs van de trainer te horen. Een speciaal moment, ik kon het nauwelijks bevatten. Om het te vieren namen mijn ouders me mee uit eten, samen met mijn vriendin. Het is een droom die uitkomt. Ik ben gaan fietsen omdat ik vroeger op vakantie ging naar Frankrijk en dan ging kijken naar de Tour. Armstrong en Boogerd waren mijn voorbeelden. Wat zij deden, wilde ik ook.”

Heb je eerder een grote ronde gereden?
“Ja, de Vuelta van vorig jaar was mijn eerste [Roosen werd 95ste, red]. Man, wat heb ik toen afgezien, vooral in Andorra, waar we in deze Tour ook weer gaan komen. Daar zie ik echt wel tegenop. De wegen zijn daar zo steil en die mannen fietsen zo hard. Aan het begin van zo’n klim is het volle bak omhoog en dan maar kijken waar je halverwege staat. Ik ben beter op een geleidelijke klim. Dan kan ik wel met de beste vijftig mee omhoog.”

Vertel eens iets over jouw rol binnen de ploeg?
“Ik help waar ik kan, want ik ben eigenlijk nergens heel goed in, vroeger al niet. Het belangrijkst wordt het vormen van de sprinttrein voor Dylan, in de laatste kilometers. Maarten Wynants trekt die trein in gang en dan kom ik op kop en geef ik een minuut lang alles wat ik heb. Dan neemt Sep Vanmarcke het over. Dan Robert Wagner en als laatste mag Dylan het afmaken.”

Wat verwacht je van je eerste Tour?
“Dat ik mijn benen helemaal naar de kloten ga rijden. Maar ik weet dat ik op dit niveau mee kan, zeker in de laatste week. Ik herstel goed. En ik hoop dat we met Dylan in staat zijn om een etappe te winnen. We hebben weinig ervaring, dat weet ik, maar Dylan heeft zoveel power, hij hoort echt bij de rapste mannen ter wereld. Ik fietste vroeger vaak tegen hem. Toen was hij al veel beter dan ik. En hij heeft dit jaar Greipel al eens verslagen. Greipel en Kittel zie ik een beetje als één. Als Dylan Greipel kan verslaan, dan kan hij hier ook winnen.”