Recensie

Verliefd op de bebaarde oplichter

In een Iers dorp duikt een aantrekkelijke charlatan op, die het vooral voorzien heeft op oudere vrouwen. En dan breekt de hel los in deze nieuwe, fascinerende roman van Edna O’Brien.

Met 11.541 rode lege stoelen werden op 6 april 2012 in de hoofdstraat van Sarajevo de slachtoffers van het beleg van de stad, in 1992, herdacht Foto Elvis Barukcic / AFP

Edna O’Brien, grandest old lady van de Ierse literatuur, mag 85 jaar oud zijn, ze schrijft door en kwam met een nieuwe roman: The Little Red Chairs. En die is sterk als haar beste werk.

Zoals alleen zij dat kan etaleert ze, ook als er alle reden voor is, een onverdroten gebrek aan sentiment (een constante, van haar debuut The Country Girls, 1960, tot en met haar verhalenbundel Saints and Sinners, 2011). En dit keer komt daar een beslist afzien van mistroostigheid bij, ook al is daar alle aanleiding voor.

Op pagina 1 trekt O’Brien haar lezer een Iers winterlandschap in. Het is naar behoren mooi en mysterieus, maar veel tijd om van het uitzicht te genieten is ons niet gegund. Onderaan diezelfde pagina duikt er aan de oever van de, uiteraard bochtige, rivier een vreemdeling op: ‘Bebaard en in een lange donkere overjas en witte handschoenen.’

Hij nestelt zich als natuurgenezer en goeroe in het Ierse kuststadje en in de loop van de volgende pagina’s blijkt hij zijn lange grauwe haren in een knot te dragen. De meeste dorpelingen vallen als een blok voor hem en zijn evidente charlatanerie.

Hij is Oost-Europees en hij heet Vlad, net als graaf Dracula. Maar deze Vlad is niet uit op jonge meisjes, hij mikt op oudere vrouwen met dulle levens. Hun bloed hoeft hij niet, hij voedt zich met hun geest. Hun adoratie is zijn dekmantel.

De roman zoomt in op Fidelma, een aardige, slimme vrouw die vast zit in een huwelijk, vreugdeloos en vooral kinderloos. Ze verleidt de vreemdeling, en krijgt haar zin – ze raakt zwanger. En dan breekt de hel los: de man, in wie menig lezer intussen een echo van de Servische oorlogsmisdadiger Radovan Karadzic heeft herkend, wordt gearresteerd en afgevoerd naar het Internationaal Gerechtshof in Den Haag.

Vlad laat het dorp zijn Balkanoorlog na en Fidelma krijgt de wraak van zijn makkers te verduren. Die wraak is pornografisch, seksualiteit is nu marteling. De scène is kort en daardoor draaglijk, maar Edna O’Brien spaart Fidelma niet en ons ook niet.

Besmette vrouw

Dit had op zichzelf kunnen volstaan als een geweldige roman waarin mystiek en religie worden ontmaskerd als destructieve goedgelovigheid, zodra de Duivel om de hoek komt wonen. Maar het is nog maar het halve werk. Edna O’Brien gaat verder. Ze bevordert de nasleep van Fidelma’s lijden tot de kern van haar roman en schrijft de mooiste hoofdstukken van dit boek.

Fidelma overkomt wat vrouwen in elke oorlog gebeurt: een seksueel mishandelde vrouw is een besmette vrouw. Ze herinnert iedereen aan de verkeerde keuzen, en moet het veld ruimen. Ze vlucht naar Londen, waar ze in de onderwereld van illegale immigranten belandt.

Hoe ze zich daaruit worstelt is lichtelijk te mooi om waar te zijn. En haar reis naar Den Haag waar ze zich vergaloppeert als ze het Kwaad in de ogen wil kijken, draagt weinig meer bij dan oponthoud. En wat moet dat uitstapje naar het Mauritshuis daar? Het lijkt vooral te dienen om Vermeers ‘Gezicht op Delft’ te noemen – literair verplicht lijkt het, aangezien dat doek de zegen kreeg van Marcel Proust in zijn Á la recherche du temps perdu.

De Haagse passages worden echter verdrongen als O’Brien haar boek tot slot bevordert tot een hommage aan verkrachte vrouwen die zich tegen de stroom in moeten zien te redden. Ze versmelt de vluchtelingen in een rondtollende uitvoering van A Midsummernight’s dream. Het is een tour de force van exorcisme: het doorstane oorlogsgeweld zal blijven schrijnen, maar het kan een verhaal worden, overwonnen via het theater.

De openlijke overeenkomst tussen Vlad en Karadzic, die zich in werkelijkheid op het platteland nabij Belgrado schuilhield, is niet gratuit. Edna O’Brien draagt via de ‘kleine rode stoelen’ in de titel deze roman op aan zijn slachtoffers. In de hoofdstraat van Sarajevo werden, op 6 april 2012, 11.541 rode stoelen opgesteld, een voor elke inwoner van Sarajevo die werd vermoord. De 643 kleine rode stoelen ertussen herinneren expliciet aan de kinderen die tijdens het beleg omkwamen.

En zo klinkt een saluut aan degene die in Fidelma’s oorlog het leven liet: haar ongeboren kind. Het was een resultaat van een geperverteerde relatie maar ook een schuldeloos mens in wording. Je zou hem of haar bijna vergeten – maar Edna O’Brien geeft het kind dat niet geboren mocht worden, dat noch van de dorpelingen mocht bestaan noch van de terroristen, de hoofdrol.