‘Van Heumensoord’ en ‘Van Lent’ uit Eritrea gaan op kop

Vluchtelingen

Honderd jongens uit Eritrea werden eind 2015 door de gemeente Nijmegen gehuisvest in een soort barakken buiten de stad. Via buurtbewoners zijn twintig van hen gaan hardlopen of fietsen. Bij loopwedstrijden eindigen ze altijd op het podium. „Sommigen trainen echt elke dag. Ze zijn heel competitief.”

‘Koud, nat.” Robel Goytom fietst op een zondagochtend door de regen over de dijk bij het Gelderse Bemmel. „Je wilt toch niet terug naar Eritrea? Daar is het lekker warm”, zegt wielercoach Bram Esselink die voor hem fietst. Robel lacht. „Nooit.”

Vandaag fietst Esselink met vier Eritrese jongens naar het clubhuis van fietsclub ’t Verzetje in Bemmel. Robel is een van de talenten, hij rijdt al langer bij de club. De andere drie jongens zijn er volgens Esselink inmiddels ook klaar voor om mee te fietsen. De snelheid hadden ze al, ze moesten alleen nog wat oefenen op het veilig in een rechte lijn rijden. Dat lijkt te lukken. Al glijdt er eentje bij de oprit van het clubhuis direct uit over de natte, met mos begroeide, stenen.

„Wie viel er net”, vraagt Esselink later. „Ik”, zegt Robel, hoewel het een van zijn vrienden was. „Alles goed”, voegt hij eraan toe.

Dat zeggen de jongens bij alles – ‘alles goed’. Ook als Esselink zegt dat de voorband van Robels fiets te zacht is. „Geen probleem, alles goed.” Een andere jongen heeft buikgriep, maar wilde toch meefietsen. „Geen probleem.”

Het past bij wat Esselink eerder over de jongens vertelde, onverbeterlijk optimistisch en altijd bezig om elkaar te helpen.

Gettovorming

De vier horen bij een groep van ongeveer honderd Eritrese jongens die buiten Nijmegen in een soort barakken wonen, in een leeg gebied tussen nieuwe Vinex-wijken. Ze hebben een verblijfsvergunning. Na vijf jaar kunnen de jongens de Nederlandse nationaliteit aanvragen en de gemeente wil ze voor hun 23ste aan een zelfstandige woning helpen.

Voorheen werd het complex, De Griftdijk, tijdelijk bewoond door buitenlandse studenten van de Radboud Universiteit. Nu woont er nog een handjevol Nederlandse studenten van de Hogeschool Arnhem-Nijmegen naast de Eritrese jongens.

Toen de plannen voor de gezamenlijke huisvesting vorig jaar bekend werden gemaakt, spraken raadsleden de zorg uit dat de jongens niet zouden integreren en dat er gettovorming zou ontstaan. Er was geen plek om hen apart te huisvesten, verklaarde de verantwoordelijke wethouder, dus moest het als groep.

De Eritreeërs op De Griftdijk zijn allemaal tussen de 17 en 23 jaar oud, ze krijgen taallessen, worden ondersteund door gastgezinnen en ook de buurt heeft zich over hen ontfermd. Het platform Welcome To The Neighbourhood organiseert activiteiten en zamelt spullen in. De jongens spreken maar een paar woorden Nederlands en geen Engels. Eén van hen heeft een baan als schoonmaker. Enkele anderen kregen een werkervaringsplek bij een nabijgelegen hotel.

Buurtbewoners Bram Esselink en Jeroen van Gisbergen zijn met hen gaan sporten. Esselink hoorde bij een inzamelingsactie, waar hij oude voetbalschoenen kwam brengen, dat enkele jongens graag wilden wielrennen. Van Gisbergen is een loopcoach die op zijn trainingsrondje altijd langs het complex liep. Toen de jongens er kwamen wonen, vroeg hij of ze mee wilden lopen. „Ik had over ze gelezen en op tv gezien hoe het eraan toeging in Libië en op weg daarnaar toe. Ik wist dat ze getraumatiseerd waren en dan is hardlopen een goede therapie. Ik ben er ook van op de hoogte dat er veel looptalent in Eritrea zit.” Zo’n twintig jongens fietsen en lopen nu mee.

Van Gisbergen zit met Esselink op de pingpongtafel buiten bij het complex in Lent waar de jongens wonen. Af en toe komt er een jongen langs om een praatje te maken. Een grote groep is nu aan het volleyballen. Vanuit een leegstaande schuur naast het complex klinkt gezang. Veel van de jongens zijn streng katholiek en bidden daar iedere avond.

Van Gisbergen heeft een poging gedaan om Eyob, zijn beste loper, de Olympische limiet voor het vluchtelingteam te laten halen, een team van tien vluchtelingen dat onder de vlag van het IOC mee mag doen aan de Olympische Spelen in Rio de Janeiro. „De eerste keer liep hij op trilschoenen, bedoeld voor het bos, de tien kilometer in 34 minuten”, vertelt hij. „Toen woonde hij nog in het opvangkamp in Heumensoord, waar hij slecht sliep en per dag twee magnetronmaaltijden kreeg. De Olympische limiet ligt op 28 minuten. Maar het komt te snel, hij loopt pas sinds november.”

Een lokale parochie doneerde geld om loopschoenen te kopen. Fietscoach Esselink is voor materiaal afhankelijk van mensen die een oude fiets en wielerkleding willen wegdoen. Hij laat de jongens die een fiets krijgen een contract ondertekenen. „Daarin beloven ze goed voor zichzelf te zorgen en voor de fiets. Ik wil dat ze leren verantwoordelijk te zijn voor wat ze krijgen. Ze krijgen al zoveel.”

Esselink gaat eens per week met de jongens fietsen. De andere dagen fietsen ze alleen of met elkaar. Via de fietsapp Strava kan hij volgen wat ze doen. „Sommigen gaan echt elke dag. Ze zijn heel competitief. Ze willen hier vooral de bergjes omhoog en dan kijken wie er als eerste is. Daarna wachten ze allemaal op elkaar, net zoals ze hun laatste banaan met iedereen delen als ze weer eens allemaal vergeten eten mee te nemen. Het is heel sociaal, maar degenen die excelleren komen zo niet veel verder.”

Hij heeft moeite om de jongens netjes achter elkaar aan te laten fietsen. „Het principe van uit de wind rijden als je vlak achter iemand zit, is niet aan hen besteed. Ze rijden in een toertocht gerust 100 kilometer lang 150 meter voor de groep uit. Ik heb ze op een gegeven moment op de dijk de fiets laten wegzetten en toen zijn we lopend waaiers gaan oefenen om zo uit de wind te leren rijden.”

De lange arm van het regime

In de loopwedstrijden waar de Eritrese jongens aan meedoen, eindigen ze steevast op het podium. Toch zijn hun namen niet terug te vinden in de uitslagenlijsten. Ze gebruiken de namen ‘Van Heumensoord’ en ‘Van Lent’, om te voorkomen dat „de lange arm van Eritrea” hen op het spoor komt, zoals hun loopcoach zegt. Hij wil niet dat hun familie problemen krijgt als het regime de namen van gevluchte jongens tegenkomt in online sportuitslagen.

De jongens zijn gevlucht om de „eeuwigdurende” dienstplicht in Eritrea te ontlopen. Die duurt officieel achttien maanden, maar kan in de praktijk uitlopen op wel tien jaar. Via Libië hebben ze met bootjes de oversteek naar Lampedusa gemaakt, zo hebben ze verteld. Vluchtelingenwerk Nederland zegt dat ze vaak in vluchtelingenkampen in Afrika hebben vastgezeten. Van Gisbergen denkt dat velen lijden aan posttraumatisch stresssyndroom. „Sommige jongens worden depressief en lopen dan niet meer mee. Ik hoor vaak dat ze nachtmerries hebben, hun familie missen of boos zijn.”

Van Gisbergen deed met een van hen eens oefeningen waarbij de knieën hoog moesten worden opgetrokken. „In plaats van zijn knieën, gooide hij zijn handen in de lucht, zijn lichaam deed niet wat zijn hoofd wilde. ‘Ik word gek meneer’, zei hij tegen mij. Maar het sporten helpt, denken we. Hun coach van Vluchtelingenwerk zegt dat hij aan hen ziet dat ze vrolijker zijn.”

De loopcoach vindt dat de gemeente de jonge sporters moet ondersteunen. „Ze laten wel een mooie film maken om andere gemeenten te laten zien hoe ze de opvang regelen, maar er is geen geld voor een busje om naar wedstrijden te rijden. Ik vind het schandalig.” „Ja jij bent daar heel fel in”, zegt collega Esselink. „Ik snap wel dat er meer kansarme jongeren in de stad zijn die ook iets willen.”

In een reactie zegt een woordvoerder van de gemeente dat onderzocht wordt hoe de jongeren geholpen kunnen worden met hun dagbesteding, maar dat geld voor bijvoorbeeld een busje uit crowdfunding moet komen. De gemeente juicht de initiatieven van de buurt toe. Volgens de gemeente en de loopcoaches zijn de zorgen over gettovorming ongegrond gebleken en veroorzaken de jongens geen overlast.

Fietscoach Esselink zegt ook niet te veel te willen regelen voor de jongens. „Pamperen is het laatste wat je moet doen. Ze zijn volwassen, ze moeten ook dingen zelf kunnen regelen. Dat is ook onderdeel van de integratie. Je ziet dat de een er beter in is dan de ander.”

Hij voegt eraan toe: „Het is misschien goed om te vermelden dat we niet te veel hebben nagedacht. We zijn gewoon begonnen.”