Recensie

Met geweld ontdaan van alle Franse waarden

Juni 1940, de Duitse legers rukken op naar Parijs. In paniek verlaten duizenden inwoners hun stad. Het is één grote karavaan naar het zuiden, ‘oude auto’s zijn uit hun holen te voorschijn gekomen’, beladen met koffers en matrassen. ‘Je zou denken dat het kostbaarste bezit van een Fransman zijn matras is’, schrijft de verteller. In de auto’s liggen oude vrouwen, ‘ze kijken niet meer naar wat buiten henzelf ligt, en kinderen slapen alsof ze dood zijn’. De wegen naar het zuiden raken verstopt, auto’s begeven het, mensen raken uitgeput en stranden, op zoek naar eten en benzine, op boerderijen in de Beauce of elders op het platteland. De stedelingen houden hun hand op bij de plattelandsbewoners, verslinden een stukje brood dat ze toevallig onderweg vinden. Inwoners van Parijs, mensen van standing, gewend aan welvaart, veranderen in een paar dagen in vluchtelingen, asielzoekers, smekelingen.

Het zijn woorden die door de Franse criticus en schrijver Léon Werth (1878-1955) in Adieu Paris 80 jaar geleden gebruikte. 33 dagen (de titel van het Franse origineel) deed hij erover om van Parijs naar zijn buitenhuis in St. Amour, in de Bourgogne, te rijden. Hij geeft het reisverslag mee aan zijn vriend Antoine de Saint-Exupéry (1900-1944), die ervan onder de indruk is en belooft dat hij het in New York zal laten uitgeven. Een lange stilte volgt. Pas in 1992 verschijnt het bij de Franse uitgever Viviane Hamy.

Werth beschrijft in een mengeling van ‘gebeurtenis, emotie en opinie’ de algehele ontheemding waarvan hij zelf onderdeel is. Frankrijk is niet meer het land dat hij kent, alles is gaan schuiven. Een vrouw die hem onderdak verschaft, ontvangt Duitse soldaten met champagne. ‘We zijn in een Frankrijk dat de Duitse overwinning aanvaardt, of zich erover verheugt, een Frankrijk dat zich niet verbonden voelt met Franse waarden en gebruiken’. Mooi schetst Werth de onwennige eerste dagen van de Duitse bezetting, die aanvankelijk onschuldig lijkt. Ondertussen tekenen de toekomstige lijnen van geweld, verraad en verzet zich in de verte af.

In de brief van Saint-Exupéry aan Werth, waarmee het boek opent, refereert de schrijver-piloot aan wat de kern lijkt van Werths verslag. Saint-Exupéry, auteur van De kleine prins, is vertrouwd met de vreemde woestijnkrachten, de eenzaamheid die je er kunt ervaren. Wat de mens bezielt is onzichtbaar, wat hij nodig heeft om te overleven zijn ‘magnetische polen’, zoals het huis van zijn vriend, schrijft hij. Zijn vrienden, het Frankrijk dat hij kent, vormen het ‘fundament van zijn gevoelens’, het zijn zijn ‘oriëntatiepunten’. Als de ‘essentiële polen van je leven’ worden ‘gedemagnetiseerd’, wordt alles langzaam een woestijn. Precies dat observeert en ervaart Werth tijdens de exodus van Parijs.