Recensie

Ineens was de illusie voorbij

In het tweede deel van een serie over Nederland in WOII wordt nuchter en zakelijk aangetoond hoe in 1941 de illusie van een ‘correcte’ bezetting voorgoed was verdwenen en hoe ook de NSB agressiever werd.

Razzia op joden op het Jonas Daniël Meijerplein in Amsterdam, 22 februari 1941. Het was de aanleiding voor de Februaristaking. Foto Spaarnestad/Hollandse Hoogte

In de herinneringen van veel Nederlanders die de Duitse invasie van 10 mei 1940 meemaakten en die een niet door de afloop beïnvloed geheugen van de eerste bezettingsweken hebben, komen de Duitse soldaten niet eens als zulke ellendige types naar voren. Een latere verzetsstrijdster vertelde hoe haar moeder op 10 mei drankflessen leegde in de gootsteen omdat zij vreesde dat de soldaten zich zouden bedrinken en zich aan vrouwen zouden vergrijpen. Maar de bezetter liet zich van zijn beheerste zijde zien.

In het boek 1940. Verwarring en aanpassing dat vorig jaar verscheen, schreef Wichert ten Have dat de Duitsers tot eind 1940 een – relatief – vriendelijk gezicht opzetten tegenover de Nederlanders, een Arisch broedervolk per slot van rekening.

1940 was vorig jaar het eerste deel van de reeks Leven in bezet Nederland. Nu is deel twee uit: 1941. Het masker valt – met de titel laat auteur Robin te Slaa direct zien waar het heen gaat. Overigens zijn het niet alleen de Duitse bezetters die in het tweede jaar van de bezetting een grimmiger koers insloegen. Ook de Nederlandse nationaal-socialisten en hun paramilitaire takken werden brutaler, vooral ten opzichte van joden. Te Slaa wijst erop dat SS-leider Hanns Rauter, verantwoordelijk voor de openbare orde, nota bene een verbod uitvaardigde op geüniformeerde marsen in Den Haag.

De agressie tegen joden en de maatregelen tegen hen die zelfs nog dodelijker zouden blijken te zijn dan het botte geweld van WA’ers nemen begin 1941 toe. Op 10 januari 1941 moet iedereen ‘die geheel of gedeeltelijk van Joodschen bloede’ is, zich laten registreren. ‘Er zijn geen protesten bekend van niet-Joodse Nederlanders tegen deze maatregel’, schrijft Te Slaa droogjes.

Het is typerend voor de toon in dit boek. Droog, feitelijk. Ogenschijnlijk kleine anekdotes gebruikt Te Slaa om grote gebeurtenissen te illustreren, ze staan dus altijd in dienst van de loop der gebeurtenissen die chronologisch wordt ontvouwd. Het maakt 1941 degelijk, op het fantasieloze af. Maar dat is ook de bedoeling van de reeks, die onder redactie van het NIOD staat: tezamen moeten de zes boeken een standaardwerk over de oorlogsjaren vormen. Te Slaa kwijt zich uitstekend van die taak, met zijn handzame en relevante literatuurlijst en ondersteund door het fabelachtige fotoarchief van het NIOD.

Na te hebben uiteengezet dat de bezetting de Nederlanders ‘ergerde’ door gevolgen als levensmiddelenschaarste, beperkte beschikbaarheid van gas, licht en brandstof, komt Te Slaa bij hét keerpunt van 1941, de Februaristaking. De opmaat is een verheviging van het geweld tegen joden en van de weerstand daartegen. Te Slaa citeert een Utrechtse WA-man die zijn kinderen op 10 februari schrijft: ‘We kunnen rustig zeggen, overal is – ondanks uiterlijke schijn – de burgeroorlog aan de gang.’ De Sicherheitsdienst ziet het ook: ‘De in de laatste weken waargenomen algemene onvrede onder de Nederlandse bevolking duurt voort.’

Een dag later blijft WA-man Koot in Amsterdam dood liggen na een gevecht in de Jodenbuurt. Weer een paar dagen later verweert een uit joodse en niet-joodse mannen samengesteld knokploegje zich in ijssalon Koco. Daarbij raken leden van de Ordnungspolizei gewond. Nu nemen de Duitsers harde maatregelen tegen de Amsterdamse joden. Op 22 en 23 februari worden de eerste razzia’s gehouden – nergens in West-Europa is dat dan nog gebeurd.

Onmiddellijk daarna gebeurt iets dat uniek bleef in de geschiedenis: er werd gestaakt uit protest tegen ‘deze jodenpogroms’, die werden betiteld als ‘een aanval op het gehele werkende volk’. Te Slaa maakt effectief gebruik van egodocumenten, waardoor het perspectief mooi in de tijd zelf komt te liggen. Zo lezen we hoe een stenotypiste denkt dat de NSB’ers ‘met ’t uitlokken van relletjes de Joden in het nauw hebben gedreven’ – onwetend nog van de Duitse vernietigingspolitiek.

Met het gewelddadig breken van de staking – negen doden, twintig zwaargewonden en tweehonderd arrestanten – was het masker van de bezetter voorgoed gevallen. Volgens Te Slaa kwam zo ‘een vroegtijdig einde’ aan de pogingen van Seyss-Inquarts politiek om Nederland geleidelijk te nazificeren. Waar dat ‘vroegtijdig’ vandaan komt, blijft onduidelijk. Maar dat hierna elke illusie van een ‘correcte’ bezetting voorgoed was verdwenen, kon niemand ontgaan. ‘Met ons of tegen ons, dat is het parool’, zei Seyss-Inquart in een redevoering op 12 maart 1941.

Vanaf dat moment, halverwege zijn boek, kan Te Slaa geen rode draad meer volgen behalve de chronologie. Hij wikkelt het jaar af met de gevolgen van de Duitse inval in de Sovjet-Unie (22 à 23.000 Nederlandse vrijwilligers zouden naar het Oostfront gaan) en met de onhoudbare positie van de Nederlandse Unie die eerst dacht te kunnen fungeren als buffer tussen een ‘correcte’ bezetter en de overwegend niet nationaal-socialistische bevolking. In december verklaart Seyss-Inquart dat de NSB de enige politieke partij is die Nederland mag vertegenwoordigen. De beweging van Anton Mussert heeft dan 75.000 leden, de Nederlandse Unie heeft op het moment dat ze wordt verboden ‘tussen de 500.000 en 600.000 leden’.

Te Slaa schrijft in het slotwoord dat dit besluit van Seyss-Inquart ‘bepaald niet de onvermijdelijke uitkomst van zijn beleid sinds mei 1940’ was. Dat is misschien zo, maar het was wel het onvermijdelijke gevolg van de uitgangspunten van het Duitse beleid. Inderdaad: met ons of tegen ons. Je kunt je dus afvragen of de veilige tussenweg die de Nederlandse Unie hoopte te bieden, hier wordt afgesloten, of dat die feitelijk nooit heeft bestaan. Hoe dan ook, vanaf dit moment worden de keuzes voor Nederlanders onder de bezetting scherper. Dat zal ongetwijfeld te lezen zijn in deel drie: 1942.